May 14

Door Drs. P. Doensen

LiarCommentaar naar: doensen@xs4all.nl

Dit verhaal schrijf ik omdat ik steeds weer zie dat één aspect van het probleem in de media niet aan bod komt. Zonder uit te leggen hoe de banken en De Nederlandsche Bank functioneren is de huidige crisis niet te begrijpen. Ik weet niet waarom dit niet uitgelegd wordt. Misschien is het de arrogantie van de banken die vinden dat dit hun eigen domein is.

Veel details blijven onbesproken in de onderstaande tekst. Het gaat niet uitsluitend om de Nederlandse situatie: in de meeste landen heeft dit op ongeveer dezelfde manier plaatsgevonden.

Belangrijke begrippen in dit artikel:

  1. BNP, Bruto nationaal product. Dit is een maat voor de bedrijvigheid en de welvaart van een land. Het BNP is de som van alle inkomsten van het bedrijfsleven en de overheid (tegen marktprijzen). De nieuwe naam is BBP, bruto binnenlands product.
  2. CPI, consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze index geeft aan wat de prijs is van het ‘mandje’ (= selectie) met eerste levensbehoeften. Hierin zitten levensmiddelen, elektra, brandstoffen, auto’s, geneesmiddelen, diensten enz.. Aan die prijsindex zijn de lonen gekoppeld. Wanneer de CPI met 4% stijgt , gaan de lonen ook met ongeveer 4% omhoog. Voor de regering was het van het grootste belang de lonen t.o.v. het buitenland laag te houden. De prijzen van huizen, aandelen, kunst enz. zitten er niet in.
  3. De Nederlandsche Bank, DNB of de centrale bank van Nederland. Krachtens de Bankwet van 1948 is de belangrijkste taak van De Nederlandsche Bank: De waarde van de Nederlandse geldeenheid te reguleren op een zodanige wijze als voor ‘s lands welvaart het meest dienstig is en daarbij die waarde zoveel mogelijk te stabiliseren. Dus prijsstabiliteit bevorderen en inflatie tegengaan. In de wet staan geen beperkingen. DNB is verplicht, zover het in haar vermogen ligt, alle prijzen in Nederland zoveel mogelijk gelijk te houden.
  4. Dekkingspercentage. Het gedeelte van het uitgeleende geld dat de bank contant in kas moet houden of snel beschikbaar moet hebben voor klanten die hun geld contant komen ophalen. Zeer weinig mensen komen hun geld contant bij de kas van de bank ophalen. Daarom is het dekkingspercentage zo laag en afhankelijk van de kwaliteit van het onderpand. 0% voor een lening aan de Staat, ongeveer 4 % dekking voor een hypotheek met een woonhuis als onderpand en ongeveer 8% voor leningen met minder zekerheid, vaak voor het bedrijfsleven.
  5. Europese Centrale Bank (ECB), Overkoepelend orgaan van de centrale banken van de landen van de Europese Unie. In de Bankwet van de Europese Unie, Hoofdstuk II §1 artikel 2, staat: Ter uitvoering van het Verdrag heeft de Bank als doelstelling het handhaven van prijsstabiliteit. Er staan geen beperkingen in deze wet. Dit is haar belangrijkste taak..
  6. Geldhoeveelheid of liquiditeit. De totale hoeveelheid geld die in omloop is: leningen, hypotheken, deposito’s, contant geld enz. De oud-president van DNB Zijlstra pleitte er steeds weer voor de toename van de geldhoeveelheid als basis voor het beleid van DNB in te voeren. Door de geldhoeveelheid te reguleren is het mogelijk de prijzen stabiel te houden. De toename van de geldhoeveelheid hoort ongeveer gelijk te zijn aan de toename van het BNP. Niet groter, want dan ontstaat inflatie.
  7. Geldmultiplicator. De spaarders brengen geld naar de bank. Dat geld houdt de bank in kas. Het aantal malen dat het geld , uitgeleend mag worden heet de geldmultiplicator. Bij een dekkingspercentage van 8 % is de geldmultiplicator 11,5.
  8. Geldschepping of liquiditeitscreatie. Wanneer een bank een lening of hypotheek verstrekt, dan schept de bank geld. Wanneer het geleende bedrag afgelost wordt dan vernietigd de bank het geld weer, dan verdwijnt het weer. Het geld dat de banken in kas hebben mag 11,5 maal uitgeleend worden, afhankelijk van het verplichte dekkingspercentage. Wanneer het dekkingspercentage 8 % is en spaarders 1 euro sparen, mag de bank 11,50 euro uitlenen. Een euro moet als dekking in kas blijven en daar verdienen ze niets aan. Geld dat bij bank A geleend is en op een rekening gestort is bij bank B, mag daar weer als dekking dienen voor 11,5 maal zoveel uitgeleend geld.
  9. HICP, Harmonised Indices of Consumer Prices. De HICP is een soort gemiddelde van de consumentenprijsindices in de verschillende landen van de EU. Aandelen en onroerend goed zitten er niet in.
  10. Inflatie, Woordenboek van Dale 1976.
    a. Opzetting van de buik door gassen.
    b. Waardevermindering van het geld door het op grote schaal uitgeven van ongedekt bankpapier
  11. Prijsstabiliteit. De prijzen blijven stabiel, veranderen niet of heel weinig. De raad van bestuur van de ECB heeft in mei 2003, een eigen definitie van prijsstabiliteit vastgesteld: De prijzen zijn stabiel, er is prijsstabiliteit, wanneer de jaarlijkse stijging van de HICP minder is dan 2%.
  12. Vertrouwen. Omdat de banken ongeveer 8 % van het uitgeleende geld in kas hebben gaat het meteen fout wanneer de spaarders of leners het niet meer vertrouwen en hun geld contant komen ophalen. Dit heet “Run op de bank”. Wordt meer dan 8% opgehaald en is er geen hulp van buitenaf, dan is de bank meteen failliet. Het bankwezen is gebaseerd op vertrouwen

B.  Wat is er fout gegaan

  1. DNB heeft alleen gepoogd de prijzen te stabiliseren voor de producten uit het mandje van de CPI. Niet voor de woonhuizen Meer dan de helft van de Nederlanders heeft een eigen huis. De prijzen daarvan zijn de afgelopen tientallen jaren tot waanzinnige hoogte gestegen. Op dit punt is DNB bij het uitvoeren van haar wettelijke taak, prijsstabilisatie, volledig tekort geschoten. De inflatie was enorm, terwijl er vele mogelijkheden waren/zijn om de prijsstijging van de woningen te beperken. Zie verderop in dit verhaal. De waarde van de euro/gulden is wat betreft de woonhuizen enorm gedaald
  2. De ECB is opgericht in 1998 met als belangrijkste taak: Prijsstabiliteit. Omdat de ECB allerlei claims van slachtoffers van de onroerend goed crisis vreesde, heeft de raad van bestuur van de ECB in mei 2003, zelf een kwantitatieve definitie van prijsstabiliteit vastgesteld. Daarin zitten niet de huizenprijzen en niet de aandelen. Daarmee beperkt zij haar wettelijke taak aanzienlijk. De wet is heel duidelijk en geeft haar dat recht niet.( zie de letterlijke wettekst verderop). Als er mogelijkheden zijn moet de ECB en DNB prijsstabiliteit nastreven, zonder beperkingen.
  3. Wie zijn de boosdoeners, in de juiste volgorde
    1. De Nederlandsche Bank en de Europese Centrale Bank. Zij voerden hun wettelijke taak, nastreven van prijsstabiliteit, niet uit.
    2. De Nederlandse Staat. Aangezien de Nederlandse Staat de aandelen van DNB in bezit heeft, vertegenwoordigd is in DNB en dus, te samen met de politieke leiding, mede verantwoordelijk voor gebrek aan toezicht op het functioneren van DNB.
    3. De banken. De banken profiteerden van bovengenoemd gebrek aan toezicht door (bijna) onbeperkt geld uit te lenen.
    4. De Nederlandse burger die meende dat de woningprijzen alleen maar konden stijgen.

    Lees verder op wehopenerhetbestevan.nl