Nov 5

Wat zal de toekomst ons brengen ten aanzien van inflatie? Zullen de prijzen gaan stijgen of gaan dalen? De vraag of de prijzen zullen dalen of stijgen is naar mijn mening ook niet de juiste vraag. De betere vraag is of de economie zal stabiliseren of zal destabiliseren. En wat zullen de gevolgen zijn voor de gewone man of vrouw.

Inflatie kun je zien als de toename van de geldhoeveelheid of als het stijgen van de prijzen. Kijken naar de toename van de geldhoeveelheid is eenvoudiger en duidelijker. Het stijgen van de prijzen is een gevolg van de toename van de geldhoeveelheid. Het lastige is dat deze toename van de prijzen nauwelijks te meten valt. Je kan wel de kosten van het levensonderhoud meten. Maar het is niet gezegd dat het juist die prijzen zijn die stijgen door de toename van de geldhoeveelheid. Inflatie kan bijvoorbeeld ook leiden tot hogere huizenprijzen of hogere prijzen van aandelen. De laatste tijd lijkt het erop dat het nu juist de grondstoffen zijn de stijgen door de inflatie.

Lees verder op  De vrije economie

Oct 16

Dit gaat geen zachte landing worden, niet voor niets wordt de huidige crisis met de grote depressie vergeleken. Eerst een enorme geldgroei, groei en bloei en vooral veel lenen, en dan? Dan komt de klap…

Willem Middelkoop vertelt bij RTL Z over de geldgroei in de eurozone (2006)

Rienk Kamer- Er is nergens geld te krijgen..

Aug 27

Logo ECBHet hoofddoel van het Eurosysteem is het handhaven van prijsstabiliteit in het eurogebied. Het garanderen van stabiele prijzen de belangrijkste bijdrage die door het monetaire beleid kan worden geleverd tot het bereiken van een gunstig economisch klimaat en een hoge participatiegraad. Zowel inflatie als deflatie kan een maatschappij grote economische en sociale schade berokkenen.

Inflatie kan worden gedefinieerd als een algemene of breed gefundeerde stijging van de prijzen van goederen en diensten over een langere periode die dientengevolge leidt tot een daling van de waarde van geld en derhalve de koopkracht ervan. Deflatie wordt vaak gedefinieerd als het tegenovergestelde van inflatie, namelijk als een situatie waarin het algehele prijspeil over een langere periode daalt. Als er geen inflatie of deflatie is, kunnen we zeggen dat er prijsstabiliteit is wanneer, gemiddeld, de prijzen noch stijgen noch dalen maar gedurende een zekere periode stabiel blijven. Als men bijvoorbeeld voor €100 hetzelfde mandje goederen kan kopen als, zeg, een of twee jaar geleden, dan kan dit een periode van absolute prijsstabiliteit worden genoemd. voor de economie. Inflatie kan worden gedefinieerd als een algemene of breed gefundeerde stijging van de prijzen van goederen en diensten over een langere periode die dientengevolge leidt tot een daling van de waarde van geld en derhalve de koopkracht ervan. Deflatie wordt vaak gedefinieerd als het tegenovergestelde van inflatie, namelijk als een situatie waarin het algehele prijspeil over een langere periode daalt. Als er geen inflatie of deflatie is, kunnen we zeggen dat er prijsstabiliteit is wanneer, gemiddeld, de prijzen noch stijgen noch dalen maar gedurende een zekere periode stabiel blijven. Als men bijvoorbeeld voor €100 hetzelfde mandje goederen kan kopen als, zeg, een of twee jaar geleden, dan kan dit een periode van absolute prijsstabiliteit worden genoemd.

Consumptieprijsindex

De meeste landen hanteren een eenvoudige benadering tot het meten van inflatie en maken gebruik van de zogenoemde “Consumptieprijsindex” (CPI). Voor dit doeleinde wordt het koopgedrag van consumenten geanalyseerd om te bepalen welke goederen en diensten consumenten gewoonlijk kopen en die daarom op enigerlei wijze als representatief kunnen worden beschouwd voor de gemiddelde consument in een economie. Vandaar dat zij niet alleen die zaken die consumenten vrijwel dagelijks aanschaffen omvatten (bijvoorbeeld brood en fruit), maar ook aankopen van duurzame goederen (bijvoorbeeld auto’s, PC’s, wasmachines, etc.) en frequente transacties (bijvoorbeeld huur). Het samenstellen van dit “boodschappenlijstje” van “artikelen” en deze vervolgens wegen naar hun belangrijkheid binnen het budget van de consumenten heeft geleid tot de creatie van wat bekend staat als het “marktmandje”. Elke maand controleert een groot aantal “prijsinspecteurs” de prijzen van deze artikelen in verschillende winkels. Daarna worden de kosten van dit mandje over een bepaalde periode vergeleken en wordt zo een reeks bepaald voor de prijsindex. Het inflatiecijfer op jaarbasis kan dan worden berekend door de verandering in de kosten van het marktmandje van vandaag uit te drukken als een percentage van de kosten van het identieke mandje in het voorafgaande jaar. De ontwikkelingen in het prijspeil zoals die in zo’n mandje tot uitdrukking komen weerspiegelen echter alleen de situatie van een “gemiddelde” of representatieve consument. Wanneer het koopgedrag van een individu aanzienlijk verschilt van het gemiddelde consumptiepatroon en dus van het marktmandje waarop de index is gebaseerd, kan deze persoon een verandering in de kosten van levensonderhoud ervaren die verschilt van die welke de index laat zien. Er zullen daarom altijd mensen blijven die een hogere “inflatie” ervaren op hun “individuele mandje” en enkelen die een lagere “individuele inflatie” bemerken. Met andere woorden, de inflatie zoals die wordt gemeten door de index is slechts een benadering van de gemiddelde situatie in de economie; deze inflatie is niet identiek aan de algehele prijsveranderingen die elke individuele consument meemaakt.

Geldgroei

Onder normale omstandigheden zouden aanzienlijke of langdurige verschillen tussen de geldgroei en de referentiewaarde aangeven dat zich risico‘s voordoen voor de prijsstabiliteit op de middellange termijn. De referentiewaarde wordt afgeleid uit de verhouding tussen de geldgroei (ΔM), de infl atie (ΔP), de reële bbp-groei (ΔYR), en veranderingen in de omloopsnelheid (ΔV).Volgens deze identiteit, die bekend staat als de “kwantiteitsvergelijking”, is de mutatie in de geldhoeveelheid in een economie gelijk aan de mutatie in de nominale transacties (benaderd door de mutatie in het reële bbp plus de mutatie in het prijsniveau) minus de mutatie in de omloopsnelheid (zie ook Kader 4.3). Deze laatste kan gedefinieerd worden als de snelheid waarmee geld tussen verschillende houders circuleert en geeft dus aan hoeveel geld benodigd is om een bepaald niveau van nominale transacties mogelijk te maken.

HICP eurozone

ΔM = ΔYR + ΔP – ΔV De referentiewaarde belichaamt de definitie van prijsstabiliteit als een stijging van de HICP voor het eurogebied van minder dan 2% per jaar. Daarnaast is de referentiewaarde gebaseerd op aannames voor de middellange termijn ten aanzien van de mogelijke productiegroei en de trend van de omloopsnelheid van M3. In 1998 werd aangenomen dat de reële-bbp-groei voor het eurogebied op de middellange termijn 2–2½ % per jaar zou bedragen, een cijfer waarin ramingen van zowel internationale organisaties als de ECB tot uiting kwamen. Via diverse benaderingen werd de aanname omtrent de omloopsnelheid afgeleid, waarbij rekening gehouden werd met eenvoudige trends alsook de informatie die in complexere geldvraagmodellen besloten ligt. Tezamen wezen de uitkomsten van deze berekeningen op een daling van de omloopsnelheid van M3 van ½–1 % per jaar.

geldgroei cijfers

Op basis van deze aannames werd de referentiewaarde van de ECB in december 1998 door de Raad van Bestuur op 4½ % op jaarbasis gesteld, en deze bleef sindsdien ongewijzigd. De Raad van Bestuur controleert de validiteit van de voorwaarden en aannames die aan de referentiewaarde

ten grondslag liggen voortdurend en communiceert veranderingen in deze onderliggende aannames zodra deze noodzakelijk worden.

link: Geldgroei cijfers EU zone

 

Ron Paul voelt Ben Bernanke (FED) aan de tand..

Lijst van termen

Algemene Raad:
een van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank (ECB). De Algemene Raad bestaat uit de President en de Vice-President van de ECB en de Presidenten van alle nationale centrale banken van de EU.

Consumptieprijsindex:
eens per maand samengesteld met behulp van een zogenoemd “boodschappenmandje”. Voor het eurogebied wordt de Geharmoniseerde Consumptieprijsindex (HICP) gebruikt. Deze index wordt samengesteld op basis van een in het gehele eurogebied geharmoniseerde statistische methodologie.

Deflatie:
een aanhoudende daling van het algemene prijspeil, d.w.z. van de consumptieprijsindex, gedurende een lange periode. Directie: een van de besluitvormende organen van de ECB. De Directie omvat de President, de Vice-President en vier leden, benoemd in onderlinge overeenstemming tussen de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten die de euro hebben ingevoerd. Eurogebied: het gebied dat de lidstaten van de Europese Unie omvat die de euro hebben ingevoerd als gemeenschappelijke munt. Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB): samengesteld uit de ECB en de nationale centrale banken van alle lidstaten van het eurogebied, ongeacht of zij de euro hebben ingevoerd of niet. Europese Centrale Bank (ECB): de ECB is opgericht op 1 juni 1998 en is gevestigd in Frankfurt am Main (Duitsland). Zij vormt het hart van het Eurosysteem. Eurosysteem: samengesteld uit de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van die lidstaten die de euro al hebben ingevoerd.

Inflatie:
een stijging van het algemene prijspeil, d.w.z. van de consumptieprijsindex, gedurende een lange periode. Monetaire basis
in het eurogebied bestaat deze uit geld (bankbiljetten en munten) in omloop, de door tegenpartijen van het Eurosysteem aangehouden reserves en het geld dat op de depositofaciliteit van het Eurosysteem is gestort. Deze posten vormen passiva op de balans van het Eurosysteem. Reserves kunnen verder worden uitgesplitst in vereiste en overreserves. In het systeem van reserveverplichtingen van het Eurosysteem zijn tegenpartijen verplicht vereiste reserves aan te houden bij de nationale centrale banken. Naast deze vereiste reserves houden kredietinstellingen doorgaans slechts een gering bedrag aan vrijwillige overreserves aan bij het Eurosysteem.

Monetairebeleidsstrategie:
de algemene benadering van de monetairebeleidsvoering. De monetairebeleidsstrategie van de ECB omvat een kwantitatieve defi nitie van het hoofddoel van prijsstabiliteit en een analytisch kader gebaseerd op twee pijlers – de economische analyse en de monetaire analyse. Bovendien omvat de strategie algemene beginselen voor het voeren van het monetaire beleid, zoals de middellangetermijnoriëntatie. De strategie vormt de basis voor de algehele beoordeling door de Raad van Bestuur van de risico‘s voor de prijsstabiliteit en voor zijn monetairebeleidsbeslissingen. Het biedt tevens een kader voor het toelichten van monetairebeleidsbeslissingen aan het publiek.

Prijsstabiliteit:
het handhaven van prijsstabiliteit is het hoofddoel van het Eurosysteem. De Raad van Bestuur van de ECB heeft prijsstabiliteit gedefi nieerd als een jaarlijkse stijging van de HICP voor het eurogebied van minder dan 2%. De Raad stelt zich tevens tot doel de infl atie op jaarbasis op de middellange termijn onder maar dicht bij 2% te houden.

Raad van Bestuur:
het belangrijkste besluitvormende orgaan van de Europese Centrale Bank (ECB). De Raad van Bestuur omvat alle leden van de Directie en de Presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die op de euro zijn overgegaan.

Rente:
het percentage extra geld dat je krijgt als je je geld uitleent aan iemand anders (of het op een bankrekening laat staan), of het percentage aan extra geld dat je moet betalen als je geld leent. Ruilhandel:
het onderling ruilen van goederen en diensten zonder daarvoor geld te gebruiken als ruilmiddel. Dit kan alleen als er een wederzijdse behoefte aan de verhandelde goederen of diensten bestaat.

Transmissiemechanisme van het monetaire beleid:
het proces waarbij monetairebeleidsbesluiten doorwerken in de economie in het algemeen en het prijsniveau in het bijzonder.

Nout Wellink:”Rente verhogen hebben we de vorige maand al gedaan”

 

Bronnen: ECB, RTL, Ron Paul

Aug 9

Nikolai Dimitrievitch Kondratieff (1892-1938)Begin jaren 20 van de vorige eeuw deed deze Russische Economische Wetenschapper onderzoek naar de relatie van golven in goederenprijzen en investeringsgedrag. Hij onderzocht zowel hoogtepunten als dieptepunten in de economie en door vergelijkingen te maken met behulp van Europeese statistieken, kreeg hij meer en meer inzicht op de ontwikkelingen over diverse perioden vanaf 1789 tot en met 1922. Kondratieff kwam tot het inzicht dat er zich al anderhalve eeuw bepaalde constante golfbewegingen voordeden en dat vormde de basis voor wat heden ten dage bekend staat als de ong Wave Cycles. Deze lange golven kenmerkten zich met een gemiddelde duur van tussen de 50 en 60 jaar en daarbinnen werden vier subcycli waargenomen. Deze cycli werden door Kondratieff onderverdeeld in vier perioden welke hij aanduidde met de seizoensnamen lente, zomer, herfst en winter. De lente werd betiteld als opbouwfase (10 tot 15 jaar), de zomer als consolidatiefase (eveneens 10 tot 15 jaar), de herfst als Plateau- of stabilisatiefase (10 jaar) en tot slot de winter als Liquidatie of afbraakfase (20 jaar). De publicatie van deze inzichten werden door het Stalinistische bewind als staatsvijandelijk beschouwd en in 1938 werd Kondratief op last van Jozef Stalin gearresteerd en geëxecuteerd.

1. Lente

De eerste fase binnen de Long Wave is de Lente of opbouwfase en duurt ongeveer 10 tot 15 jaar. Deze Fase kenmerkt zich door inflatie veroorzakende groei, vooral in productie- en consumentenprijzen. Bedrijven hebben minder concurrentie te duchten (vanwege de liquidatie in de voorafgaande periode) en kunnen daardoor de prijzen naar boven toe aanpassen. De bedrijven hebben geen schulden (meer) en hebben een lage koers/winstverhouding, dus is dit een zeer winstgevende periode voor investeerders, zowel in deze bedrijven, als in starters, die dankzij de hogere prijzen de markt kunnen betreden. Al met al een lucratieve tijd om te beleggen in effecten en onroerend goed, maar slecht voor edelmetalen en andere grondstoffen.

Prijzen stijgen langzaam mee met de economische vooruitgang. De rente en inflatie blijven laag, de aandelen en onroerend goed zijn zeer laag gewaardeerd. De infrastructuur wordt verder uitgebouwd of opnieuw opgebouwd (na de ‘trogoorlog’). Verder blijft de inflatieverwachting laag. Oudere ondernemers hebben nog geen vertrouwen in de economie, want de schrik van de crisis (winter) zit er nog goed in. Niemand breidt de productiecapaciteit uit zonder orders van buitenaf. De jongere ondernemers breiden daarentegen wel uit en winnen aan marktaandeel. De maatschappij heeft over de afgelopen 15-20 jaar deflatie bevochten en heeft daardoor te veel productiecapaciteit afgestoten en gesaneerd.

De vraag was kunstmatig laag gehouden, dus is men nu meer geneigd om huizen te kopen en duurzame producten aan te schaffen. De jongere ondernemers spelen hier veel beter op in, dus winnen keer op keer meer marktaandeel, vooral vanwege hun goede inschatting m.b.t. inflatie en economische groei. Vandaar dat zij vanzelf de topondernemers worden.

De werkloosheid daalt verder, de lonen en prijzen stijgen, vanwege de lichte inflatie. Er vindt een verfijning van de bestaande technologie plaats i.p.v. innovatie (uitvinding). De schulden zijn laag, omdat in de crisis alle schulden zijn gesaneerd. Langzaam maar zeker beginnen de schulden weer te groeien, waardoor zich dit aan het einde van de lenteperiode naar een maximaal niveau begeeft, wat dus de groei beperkt. De meest recente ‘lenteperiode’ was van 1949-1966.

2. Zomer

In de zomer of consolidatiefase zien we een versteviging ontstaan in de economie, gevolgd door een uitdunning van een groot aantal investeringen welke niet (langer) nodig zijn. Dit betekent een eerste liquidatiegolf in de cyclus. In deze periode neemt de groei dus gestaag af en langzaam maar zeker stagneert de economie en zien we de inflatie verder oplopen. Voor investeerders in aandelen betekent dit een afbouw en uiteindelijke deflatie (afname) van vermogen. Het kenmerkt ook een hausse-markt in edelmetalen, onroerend goed en andere goederen.

De inflatie wordt steeds hoger en de groei neemt af. De stagflatie is structureel van aard. Er volgen ernstige recessies, maar men speculeert steeds op een hogere inflatie, d.m.v. aandelen en onroerend goed op te bieden. De wat ouder geworden jongere ondernemers blijven een hogere inflatie verwachten en stemmen hun productiecapaciteit daar steeds op af. Daaropvolgend wordt de economie door de ernstigste recessie getroffen in decennia en tast de ‘oude economiebedrijven’ ernstig aan, waardoor gemengde signalen worden afgegeven over de staat van de economie. De productiviteit daalt en de werkloosheid stijgt. De inflatie stijgt tot ongekende hoogte. Deze periode luidt het einde in van de zomer. De uitwerking van deze periode zorgt ervoor, dat mensen zich gaan aanpassen aan de volgende periode oftewel de consolidatie- of plateaufase. De laatste ‘zomerperiode’ deed zich voor van 1966-1981.

The Kondratieff Inflation/Deflation Cycle

3. Herfst

De herfst of plateaufase voorziet in groei terwijl inflatie langzaam afneemt doordat er veel bedrijven concurreren op de internationale markt en er een prijsdrukkend effect optreedt m.b.t. zowel grondstoffen, halffabrikaten als eindproducten. Na de zomerperiode stabiliseren zich deze prijzen en de economie begint de 2e groeifase, maar is niet meer zo dynamisch als de lentefase. Deze fase betreft een hausse-markt in onroerend goed en effecten en kenmerkt zich door een prijsafname in goederen en edelmetalen (baisse-markt). De ‘herfst-periode’ is de meest expansionele periode in de cyclus. Hierdoor ontstaat er een massagedrag vanwege irrationele toekomstverwachtingen, vaak vergezeld van een excessief kredietbeleid.

Dit is het stadium, waar veel lucht wordt geblazen in de economie, daarbij geholpen door enorme liquide injecties van centrale banken en/of bancaire sector. De consumenten- en producentenprijzen vertonen desinflatie en we zien afnemende prijsstijgingen. Oudere ondernemers geloven niet dat de inflatie aan het afnemen is, dus gaan deze door met het verder uitbouwen van de productiecapaciteit. Deze ondernemers hebben hun hele leven gegokt op inflatie, dus in hun ogen is desinflatie of deflatie onmogelijk. De goederenprijzen en rentestanden zakken gestaag. De lagere prijzen kunnen geen nieuwe productiecapaciteit dekken, zodat een nieuwe generatie van jonge ondernemers zorgt voor fusies en overnames. Het is nu goedkoper geworden om bezit aan te kopen dan het te laten bouwen.

Aandelen, onroerend goed en bedrijfsobligaties stijgen enorm in en er ontstaat een zeepbel, welke onder andere
wordt aangewakkerd door bancair of centrale bankbeleid via fiat- of fractioneel geld. Bovendien ontstaat een algemeen beeld, dat er een nieuw tijdperk is aangebroken, aangeduid als bijv. New Era (20er jaren vorige eeuw) of New Economy (90er jaren vorige eeuw) om de zeepbel en opgeblazen lucht te verklaren. De massa denkt in deze fase, dat dit nieuwe aangebroken tijdperk recessies of marktcorrecties tot het verleden maken. Dit betreft een ontkenningsfase van de meerderheid van de bevolking. Het is op dit punt, dat consumenten en bedrijven bereid zijn om lange termijn-schulden aan te gaan, vanwege het valse vertrouwen, dat men heeft in de economie. De private schuld bereikt daardoor in deze periode een maximale hoogte, waardoor het mogelijk is dat d.m.v. een kleine terugval in werkgelegenheid, rentestijging of goederenprijsstijging een situatie wordt gecreëerd, zodat de rente op de schuld moeilijk tot niet kan worden terugbetaald. Deze periode deed zich voor van 1921-1929 en van 1982-2000.

4. Winter

De winter of liquidatiefase begint altijd met een klap (eerste crach). We zien een plotselinge afname van vermogen (onroerend goed en aandelenkapitaal), direct gevolgd door deflatie van producenten- en consumentenprijzen. Deze deflatie wordt veroorzaakt door het faillissement van bedrijven en later dat van huishoudens (consumenten). Op hetzelfde moment ontwikkelt zich (gehele) inkrimping van de werkelijke kapitaalbasis (reële financiële bronnen). Deze kapitaalbasis was al verwaterd door de fiat- en fractioneel geldpraktijken van de centrale bank of bancaire sector tijdens de herfstperiode.
Tijdens het begin van de winter bodemen goederenprijzen en goud verder uit, voordat deze beginnen aan een langjarige opmars tijdens de crisis. De psyche van de massa wordt gekenmerkt tijdens deze winterperiode door 4 stadia:

1. Begin – bezorgdheid (na 1e financiële klap) 1-2 jaar
2. Midden – angst (na meerdere (mini)krachs) 3-4 jaar
3. Midden – paniek (na finale ineenstorting), 5-9 jaar
4. Eind – gelatenheid (stabilisatie markten) 10-15 jaar

Het kenmerk van deze tijd is een groot aantal bedrijfsfaillissementen, een ineenstorting van het economisch systeem, wat voornamelijk gebaseerd is op excessieve liquiditeit (fiat- of fractioneel geld), een gestage vlucht naar waardemiddelen (edelmetalen), vanuit papier. Het luidt tevens het einde in van het monetaire systeem (Pond Sterling, US Dollar , Yen , Euro etc.). Eind 2001 was bijvoorbeeld de dollar 1% goudgedekt, de euro 15% goudgedekt, de yen 3% goudgedekt en de Zwitserse frank 30% goudgedekt.
Veel opgebouwde (papieren) rijkdom wordt vernietigd, zodra de reële financiële middelen verdwijnen, daardoor het krediet ernstig wordt beperkt. Zowel het bankroet als de werkloosheid zullen groeien en werken als een sneeuwbal door in de economie, waardoor de waarde van overige bezittingen verder in waarde zullen zakken, want de deflatie is een continue proces (zie bijvoorbeeld Joegoslavië 1987, Japan 1989, Indonesië 1997, Rusland 1998, Turkije en Argentinië 2001). De sociaal maatschappelijke orde loopt gevaar om totaal ontredderd te raken en kan uitmonden in gewapende conflicten of revoluties of opstanden.
Krediet wordt niet meer gecreëerd en consumenten zijn niet meer in staat om geld uit te geven. Het vertrouwen daalt verder. Het prijsniveau is dusdanig aan het zakken, dat de consumenten hun aankopen verder uitstellen, omdat men weet, dat deze aankopen in de (nabije) toekomst toch goedkoper worden. Wanneer het consumentenvertrouwen op het dieptepunt is aangekomen, faalt daarmee ook het vertrouwen in het bancaire systeem en ontstaat er een laatste enorme vlucht uit papierwaarden (effecten, projecten, bedrijven met schulden, papiergeld) naar vaste waarden (zoals duurzame goederen, bedrijven zonder schulden, edelmetalen). Tegelijkertijd heeft men veel last van valutacrises, wanneer het krediet inkrimpt en rentes zullen stijgen. Buitenlanders vluchten uit de valuta van landen, die het meest gelieerd zijn aan de ergste excessen (dollar, yen en in mindere mate de euro).

bron: US Markets

Aug 9

Waarschijnlijk heeft u het wel eens horen zeggen: banken zijn dieven.

waarom zegt men dat?
waarom mogen moslims geen rente betalen (woekergeld)

De bancaire sector is gemachtigd door de centrale bank om liquiditeit (geld) ter beschikking te stellen op het gebied van leningen en hypotheken. De uitgifte daarvan gebeurt door de diverse banken met ondersteuning van de centrale bank.

Men zal zich afvragen waar deze liquiditeit vandaan komt. Die komt feitelijk uit het niets. Als een bank een lening of hypotheek beschikbaar stelt aan de lener, dan creëert deze bank geld uit het niets om deze te financieren. Wanneer de lening of de hypotheek geheel wordt terugbetaald, dan verdwijnt dit geld weer in het niets. De bank ontleent zijn bestaansrecht aan de rente, die men ontvangt, want van het geld uit het niets kan men niet bestaan omdat daarover weer rente moet worden betaald aan de centrale bank (interbancaire rente) – die ook wordt vastgesteld door de laatste. Het verschil in de rentes, die de bank aan de centrale bank moet betalen en de rente die men ontvangt betreft dus de ‘winst’ van de bank. Dit is bekend onder naam fiatgeld, want er staat geen enkele tegenwaarde ten opzichte van dit ‘geld’, het is in feite gebakken lucht.

Er bestaat ook een andere mogelijkheid om geld uit te lenen en dat is via deposito (spaarrekeningen), die de bank ontvangt van de lener, dientengevolge de bank dit weer kan uitlenen door middel van leningen of hypotheken, maar ook hier is er een gigantische adder onder het gras, want de bank leent dit niet een keer uit, maar een meervoud daarvan. In het geval van Nederland is dit doorgaans zes maal. Dit staat bekend als fractioneel bankieren, oftewel er is maar een klein deel gedekt door echte waarde (deposito) en het meeste van dit ‘geld’ is ook gebakken lucht.

U begrijpt, dat dit voor enorme problemen kan zorgen, als

a. de lening of hypotheek wordt terugbetaald, of
b. als de lener of hypotheekgever failliet gaat en niet wordt terugbetaald.

In beide gevallen verdwijnt de lening en hypotheek in het niets, omdat deze liquiditeit geen enkele waarde vertegenwoordigt, zodoende verdwijnt dit geld voorgoed uit de economie, dus de liquiditeit in de economie gaat omlaag als er geen andere leners zijn om deze leningen weer aan te gaan.

Een goed voorbeeld om dit te verduidelijken is, als iemand een auto verhuurt aan een klant, waarvoor de autoverhuurder een vergoeding ontvangt (de huurprijs). Als de klant na een periode de auto terugbrengt kan deze zelfde auto weer worden verhuurd aan een ander, dus heeft de autoverhuurder iets van waarde uitgeleend (verhuurd) en ontvangt deze waarde weer terug. Dit betekent dat deze waarde niet verloren is gegaan, want de waarde (auto) bestaat nog steeds en kan opnieuw worden gebruikt door de autoverhuurder of de klant.

In de tijd van de traditionele goudstandaard, tot aan 1914, vertegenwoordigde de liquiditeit echte waarde, dat wil zeggen goud en zilver, zowel ten aanzien van deposito (spaarrekeningen) als in het dagelijks leven (gouden tientjes, zilveren guldens, dubbeltjes en kwartjes). Wanneer een lening werd afbetaald kon dit geld weer worden gebruikt voor andere financieringsdoeleinden en bleef het in de economie bestaan.

In het geval van fiat- en fractioneel geld daarentegen staat weinig tot geen waarde. Zoals eerder gezegd; als een lening of hypotheek wordt terugbetaald dan verdwijnt het geld voorgoed uit de economie. Dit verklaart dan ook de liquiditeitscrisis, die ontstaat na een periode van een uitbundig fiat- en fractioneelgeldbeleid. Als door welke reden dan ook de financiële zeepbel uit elkaar spat (bijv. aandelenmarkt, onroerendgoedmarkt e.d.), kunnen de leningen en hypotheken niet meer worden terugbetaald. De bancaire sector verzeilt dan in een bankcrisis, waardoor:

a. de liquiditeit verdwijnt;

b. de rente niet meer wordt betaald;
c. de waarden van de beleende onderpanden (aandelen, onroerend goed etc.) afgenomen zijn en deze de leningen of hypotheken niet meer kunnen dekken, omdat:

1. de waarde is weggevaagd of drastisch verminderd en
2. deze zich in een dergelijke periode op een duidelijke en gruwelijke aanbodsmarkt zullen bevinden, waardoor deze moeilijker, zoniet onmogelijk te verkopen zijn.

lees hier verder

Jul 12

Heel bijzonder vind ik hoe men tegenwoordig het verleden aankijkt. Alsof men vroeger dom was en de mensen van nu een nieuw soort mens dat veel slimmer is. Een explosie van een waarde zonder duidelijke onderbouwing kan niet anders dan een keerzijde hebben. Ik geloof namelijk niet dat mensen in een paar jaar tijd ineens het licht zien dat generaties ervoor nooit hebben gezien.

De huizenmarkt is op dit moment het belangrijkste onderdeel van de economie. Vele mensen verdienen er hun brood mee. Stijgende huizenprijzen zijn een aanjager voor consumentenbestedingen. Niet alleen voelen mensen zich rijker, ze denken ook meer te kunnen gaan lenen en gaan daardoor te veel op de korte termijn denken.

Wat zijn de gevolgen?

Door de enorme geldgroei van de afgelopen jaren ontstaat nu overal ter wereld inflatie. Wat de consumenten, gesteund door lage rentestanden, de afgelopen jaren gedaan hebben is veel meer lenen en uitgeven dan ze zich eigenlijk kunnen permitteren. Dat is natuurlijk een geschenk uit de hemel voor alle bedrijven die al een groot aantal kwartalen op rij dubbele cijfers laten zien maar dit korte termijn geschenk zal ze uiteindelijk ook de wind van voren geven. Er komt een moment dat de consument realiseert dat deze niet meer zoveel uit kan blijven geven en de gemaakte schulden terugbetaald moeten worden. Op het moment dat dit gebeurt hebben de bedrijven hun productiecapaciteit al vergroot en te veel personeel aangenomen. Vanaf dat moment gaat de negatieve spiraal in werking. De consument moet op zijn tellen gaan passen en bedrijven zullen gaan bezuinigen en ontslaan, wat vervolgens ook weer een negatief effect op de bestedingen van consumenten zal hebben. De huizenmarkt zal noodgedwongen zwak blijven en het aantal mensen die hun huis uit moeten zal toenemen.

Slechts 13 landen in die woning prijs indices worden regelmatig gepubliceerd zag de prijzen stijgen gedurende het jaar tot eind Q1 2008, terwijl 21 landen woning zag de prijzen dalen in reële termen, dat wil zeggen, na correctie voor inflatie.

huizenprijzen gecorrigeerd voor inflatie

In Europa zijn de prijzen hard gedaald tot eind Q1 2008 in Ierland (- 13,2%), Luxemburg (-5,8%), Portugal (-4,3%) en Malta (-4,9%).

De grootste prijsdaling was in Letland (Riga), een daling met -38,2% in mei 2008 van een jaar eerder, na correctie voor inflatie.

Waarom zeggen makelaars,banken en de overheid dat er niet aan de hand is met de huizenmarkt?

Dat is het enige wat ze nog kunnen doen. Ze hebben er totaal geen grip meer op en proberen het vertrouwen hoog te houden. Natuurlijk weten ze maar al te goed dat het fout gaat….
Ook voor de huizenmarkt geldt:


‘Nu instappen is een vallend mes vangen’

Jul 4

Wat jammer genoeg niet wordt verteld op onze hersenspoelingsinstituten (beter bekend als faculteiten economie en economische hogescholen) is dat inflatie altijd nadelige gevolgen kent. Degenen die de inflatie creëren zijn ook degenen die als eerste profijt hebben van dit geldbeleid. Deze kunnen producten en diensten afnemen alvorens de prijzen onvermijdelijk naar boven zijn bijgesteld als gevolg van deze gecreëerde inflatie. Daarentegen, degenen die het minste of helemaal geen profijt hebben van deze inflatie zijn de mensen die afhankelijk zijn van de jaarlijks geïndexeerde salarisrondes en van uitkeringen moeten rondkomen. Zij zijn gedwongen om deze prijsstijgingen te ondergaan zonder dat ze zich er tegen kunnen wapenen. U begrijpt uit het voorafgaande dat de overheid en de bancaire sector hiervan daarom het meeste profijt trekken en de grote meerderheid van het volk aan het kortste eind trekken.

De inflatie in de vorm van prijsstijgingen die in de aandelen-, huizen- en obligatiemarkten is gaan zitten gaf de gewone man het gevoel dat ook hij kon profiteren van deze hausses. Niet wetende dat na inflatie er ook onherroepelijk deflatie volgt. Dit is nu aan de hand met de mondiale huizenmarkt. In een aantal landen, waaronder Nederland, zijn de huizenprijzen gestagneerd en zullen de komende jaren behoorlijk dalen. Voor veel Nederlanders is dit een nachtmerriescenario, want deze huizen zijn gefinancierd met (top)hypotheken, waarvan een groot aantal via zogenaamde beleggingsconstructies opgedrongen door financiële adviesbureaus en bankinstellingen. Wanneer zowel de huizenprijzen als de aandelenprijzen omlaag gaan dan komen honderdduizenden gezinnen in de problemen, iets wat nu al langzaam op gang komt. Een behoorlijk aantal zal hun huizen (en beleggingen) moeten verkopen (ver) beneden de marktwaarde, waardoor er extra neerwaartse druk komt te staan op de onroerend-goedmarkt. Deflatie is namelijk een inkrimping van het krediet, omdat banken niet meer kunnen of willen lenen aan particulieren en bedrijven met een slechte kredietwaarde.

En dat is dan ook de essentie van een economische crisis, iets wat onze generaties geheel niet kennen, omdat de laatste crisis (deflatie) meer dan 70 jaar geleden heeft plaatsgevonden en degenen die ons er voor konden waarschuwen er helaas niet meer zijn.

bron : vrijspreker.nl

Jun 24

Er valt tegenwoordig vaak het woord ‘deflatie’. Wat betekent deflatie? Volgens de definitie is dit het tegengestelde van inflatie, dat wil zeggen: bij inflatie gaan de prijzen van goederen t.a.v. geld omhoog, dus alles wordt duurder. Bij deflatie is dit het tegenovergestelde en gaan de prijzen van goederen t.a.v. geld omlaag, alles wordt dus goedkoper. Zoals elke economische student leert wordt inflatie veroorzaakt door een verhoging van de hoeveelheid geld in de economie, waarvoor tegenwoordig de centrale bank primair verantwoordelijk is. Maar wat veroorzaakt deflatie?

Er zijn in feite twee soorten deflatie:

Er is deflatie veroorzaakt door marktwerking, wat betekent dat de hoeveelheidproductie van goederen toeneemt en de vraag achterblijft, waardoor er een prijsdaling ontstaat van deze goederen. We hebben dat kunnen zien over de laatste twee decennia in de computer- en software-industrie. De hoeveelheid computers en software breidden zich enorm uit in die periode, waardoor de prijzen aanzienlijk daalden. Zo ook met enig ander product. Dit kunnen we samenvatten onder de noemer vrije-marktconcurrentie en is een zeer gezonde ontwikkeling, waardoor bedrijven komen en gaan. Josef Schumpeter noemde dit al ‘creatieve vernietiging’. In de jaren 90 van de 19e eeuw bestond er ook al een dergelijke deflatie, maar dan op elk productieniveau, alhoewel de economische groei niet werd aangetast, omdat toen nog de traditionele goudstandaard van kracht was, wat resulteerde in een stabiele geldhoeveelheid.

Helaas bestaat er nog een ander soort en dat heeft een geheel andere oorzaak. Er bestaat ook een deflatie als de economie ongezonde trekken begint te vertonen, wanneer de productie afneemt terwijl ook de prijzen zakken. In tegenstelling tot de normale deflatoire toestand heeft dit soort deflatie wel degelijk een sinistere oorsprong. Deze deflatie is veroorzaakt door de voorafgaande periode, toen de geldhoeveelheid aanzienlijk werd uitgebreid waardoor alle facetten van het economische leven tot een zeepbel uitgroeiden. We kunnen dit bijvoorbeeld zien in de enorme groei in de aandelenmarkt, de huizenmarkt, de goederenmarkt, de obligatiemarkt etc. De oorsprong van deze groei is de enorme liquiditeit, die beschikbaar werd gesteld door de bancaire sector met actieve hulp en medeweten van de centrale bank. De bancaire sector is gemachtigd door de centrale bank om liquiditeit (geld) ter beschikking te stellen op het gebied van leningen en hypotheken. De uitgifte daarvan gebeurt door de diverse banken met ondersteuning van de centrale bank.

Men zal zich afvragen waar deze liquiditeit vandaan komt. Die komt feitelijk uit het niets. Als een bank een lening of hypotheek beschikbaar stelt aan de lener, dan creëert deze bank geld uit het niets om deze te financieren. Wanneer de lening of de hypotheek geheel wordt terugbetaald, dan verdwijnt dit geld weer in het niets. De bank ontleent zijn bestaansrecht aan de rente, die men ontvangt, want van het geld uit het niets kan men niet bestaan omdat daarover weer rente moet worden betaald aan de centrale bank (interbancaire rente) – die ook wordt vastgesteld door de laatste. Het verschil in de rentes, die de bank aan de centrale bank moet betalen en de rente die men ontvangt betreft dus de ‘winst’ van de bank. Dit is bekend onder naam fiatgeld, want er staat geen enkele tegenwaarde ten opzichte van dit ‘geld’, het is in feite gebakken lucht.

Er bestaat ook een andere mogelijkheid om geld uit te lenen en dat is via deposito (spaarrekeningen), die de bank ontvangt van de lener, dientengevolge de bank dit weer kan uitlenen door middel van leningen of hypotheken, maar ook hier is er een gigantische adder onder het gras, want de bank leent dit niet een keer uit, maar een meervoud daarvan. In het geval van Nederland is dit doorgaans zes maal. Dit staat bekend als fractioneel bankieren, oftewel er is maar een klein deel gedekt door echte waarde (deposito) en het meeste van dit ‘geld’ is ook gebakken lucht.

U begrijpt, dat dit voor enorme problemen kan zorgen, als

a. de lening of hypotheek wordt terugbetaald, of
b. als de lener of hypotheekgever failliet gaat en niet wordt terugbetaald.

In beide gevallen verdwijnt de lening en hypotheek in het niets, omdat deze liquiditeit geen enkele waarde vertegenwoordigt, zodoende verdwijnt dit geld voorgoed uit de economie, dus de liquiditeit in de economie gaat omlaag als er geen andere leners zijn om deze leningen weer aan te gaan.

bron: Albert Spits

Jun 14

Global Property Guide becijferde dat de huizenprijzen in Nederland onafgebroken zijn gestegen sinds de forse correctie in de jaren tachtig. Een belangrijke aanjager van de huizenprijs was de toename van het besteedbaar inkomen van de Nederlander, dat tussen 1990 en 2000 gemiddeld steeg met 6% per jaar, terwijl de gemiddelde inflatie beperkt bleef tot 2%.

De Maastrichtse hoogleraar vastgoedfinanciering Piet Eichholtz komt tot de conclusie dat de Nederlandse huizenprijzen sinds 1736 niet meer zo hoog zijn geweest. Eichholtz hanteerde hierbij een voor inflatie gecorrigeerde huizenprijsindex. De vergeleken prijzen van panden aan de Herengracht zouden een goede indicatie zijn voor de ontwikkeling van de huizenprijs in het algemeen, aangezien de grachtenpanden altijd dezelfde kwaliteit hebben gehad. Voor een gemiddeld huis aan de Herengracht moet momenteel circa € 2,6 miljoen worden neergeteld.

Wie de huizenprijzen in Nederland over de afgelopen driehonderd jaar bekijkt, zal tot de conclusie komen dat deze aan sterke fluctuaties onderhevig zijn. De gestage stijging die we in de afgelopen jaren hebben meegemaakt, hoeft dan ook niet te betekenen dat een crisis op de Nederlandse huizenmarkt zich niet opnieuw kan voordoen. Eichholtz meent dat de nog immer toenemende vraag naar huizen in Nederland onder meer te danken is aan de stijgende inkomens. Hiermee bevestigt hij de rol van het bestedingsvermogen als aanjager van de huizenprijs, zoals die ook door Global Property werd vastgesteld. Een recessie echter zou in ons land een neerwaartse impuls kunnen geven aan de prijzen van huizen.

Dat ons land in economisch opzicht minder florissante tijden tegemoet gaat, wordt inmiddels algemeen aanvaard. Lange tijd werden huizen gekocht vanuit een soort common sense gedachte. Een koophuis was het ultieme beleggingsobject en men was een dief van de eigen portemonnee indien men de voorkeur gaf aan een huurwoning. We kunnen in ieder geval stellen dat deze vanzelfsprekendheid inmiddels passé is.
huizenprijzen afgelopen 300 jaar
Bron: Harm van Wijk

Jun 14

In het NRC (NRC Handelsblad, 28 april) geeft R.G.C. van den Brink, oud-bestuurder van ABN amro en hoogleraar Financials Institutions zijn visie over de Nederlandse huizenmarkt. Een korte samenvatting:

  • huizenprijs NL keldert onvermijdelijk, net als in de jaren ’70.
  • hij verwacht tevens een zeer hoge inflatie.
  • hij beschrijft hoe dit (vergelijkbaar) in de jaren ’70 ging: aanvankelijk hielden de monetaire autoriteiten de de rente relatief laag, tot en met een negatieve reële rente aan toe. Daarna was er nog maar 1 remedie: korte rente sterk verhogen,en een recessie voor lief nemen. Dat scenario leidt dan onvermijdelijk tot een daling van de huizenprijzen.
  • hij verwacht een correctie van minstens 30%.

Hieronder een stukje uit het archief van het journaal uit 1981. Hieruit kunt u opmaken hoe het er toen aan toe ging.

De economische situatie in Nederland was niet rooskleurig. De werkloosheid was hoog, vooral ook onder schoolverlaters en arbeiders afkomstig uit Turkije en Marokko. Deze laatste groep kende tevens nog veel aanpassingsproblemen. Veel bedrijven moesten sluiten en zelfs gemeenteambtenaren werden ontslagen. Dit leidde tot veel stakingen en acties van het personeel, zoals bij het openbaar vervoer in Den Haag, waar drie weken geen trams of bussen reden. Ook de huizenmarkt stortte in. De rente was hoog en voor velen was een nieuw huis daardoor onbetaalbaar, ondanks kelderende huizenprijzen.