Dec 30

De aangepaste geldhoeveelheid M3 in de eurozone is in november onverwacht licht gedaald ten opzichte van een jaar eerder, blijkt uit cijfers van de Europese Centrale Bank (ECB).

De geldhoeveelheid daalde in november op jaarbasis met 0,2%, na een groei van 0,3% in oktober. Vooraf geraadpleegde economen gingen voor november uit van een stijging van de geldhoeveelheid met 0,4%.
De leningen in de private sector namen in november met 0,7% af, na een daling van 0,8% in oktober.

zie ook: Deflatie in aantocht

De daling in november betekent de laagste waarde voor de geldgroei sinds de introductie van de euro in 1999.

Met de daling blijft de geldgroei ruim onder de 4,5% die de ECB hanteert als referentiewaarde voor stabiele prijzen. Als de geldhoeveelheid te hard groeit kan dat duiden op toenemend inflatiegevaar, wat van invloed kan zijn op de rentepolitiek van de ECB.

bron: RTLZ.nl

Nov 26

De geldhoeveelheid in de eurozone groeit trager dan ooit en de kredieten van de banken aan de privésector dalen meer dan ooit. Deze tegenvallende cijfers suggereren dat er geen inflatiegevaar bestaat en dat de Europese Centrale Bank (ECB) slechts heel geleidelijk haar leningen aan de banken zal afbouwen.

(tijd) – De geldhoeveelheid (M3) steeg in oktober slechts met 0,3 procent jaar op jaar, tegenover 1,8 procent in september. De ECB streeft naar een geldgroei van 4,5 procent.

Monetary aggregate M3

De leningen van de banken aan de privésector daalden in oktober met 0,8 procent jaar op jaar na een terugval van 0,3 procent in september. De kredietverlening aan niet-financiële bedrijven zakte met 1,2 procent na een daling met 0,2 procent de vorige maand. De kredietverstrekking aan de gezinnen verminderde met 0,1 procent na een achteruitgang met 0,3 procent.

Monetary aggregate M3 and M1

Onderzoek van de ECB toont aan dat de kredietverlening aan gezinnen een licht voorlopende indicator is. De kredietverstrekking aan niet-financiële bedrijven daarentegen is een indicator die drie kwartalen achterloopt op de economische activiteit.

‘De geld- en kredietcijfers geven de ECB een sterk argument om haar monetaire stimulans slechts geleidelijk af te bouwen’, zegt ING-econoom Martin van Vliet. ‘Onze werkhypothese blijft dat de ECB in de eerste helft van 2010 de meeste niet-conventionele maatregelen afbouwt en in de tweede helft van volgend jaar de rente begint te verhogen.’

bron: De Tijd

Nov 28

hyperinflatie alarm Dit heeft de Europese Centrale Bank (ECB) donderdag bekendgemaakt.In oktober steeg de geldhoeveelheid 8,7% ten opzichte van dezelfde maand een jaar eerder. In september groeide de geldhoeveelheid eveneens met 8,7% op jaarbasis, zo blijkt uit herziene cijfers.

Geldgroei M3 (geld dat uit het niets is gecreëerd)

De ECB streeft naar een inflatie beneden de 2% voor de eurozone. De referentiewaarde voor de geldgroei is 4,5%.

bron: fd.nl

Oct 16

Dit gaat geen zachte landing worden, niet voor niets wordt de huidige crisis met de grote depressie vergeleken. Eerst een enorme geldgroei, groei en bloei en vooral veel lenen, en dan? Dan komt de klap…

Willem Middelkoop vertelt bij RTL Z over de geldgroei in de eurozone (2006)

Rienk Kamer- Er is nergens geld te krijgen..

Aug 27

Logo ECBHet hoofddoel van het Eurosysteem is het handhaven van prijsstabiliteit in het eurogebied. Het garanderen van stabiele prijzen de belangrijkste bijdrage die door het monetaire beleid kan worden geleverd tot het bereiken van een gunstig economisch klimaat en een hoge participatiegraad. Zowel inflatie als deflatie kan een maatschappij grote economische en sociale schade berokkenen.

Inflatie kan worden gedefinieerd als een algemene of breed gefundeerde stijging van de prijzen van goederen en diensten over een langere periode die dientengevolge leidt tot een daling van de waarde van geld en derhalve de koopkracht ervan. Deflatie wordt vaak gedefinieerd als het tegenovergestelde van inflatie, namelijk als een situatie waarin het algehele prijspeil over een langere periode daalt. Als er geen inflatie of deflatie is, kunnen we zeggen dat er prijsstabiliteit is wanneer, gemiddeld, de prijzen noch stijgen noch dalen maar gedurende een zekere periode stabiel blijven. Als men bijvoorbeeld voor €100 hetzelfde mandje goederen kan kopen als, zeg, een of twee jaar geleden, dan kan dit een periode van absolute prijsstabiliteit worden genoemd. voor de economie. Inflatie kan worden gedefinieerd als een algemene of breed gefundeerde stijging van de prijzen van goederen en diensten over een langere periode die dientengevolge leidt tot een daling van de waarde van geld en derhalve de koopkracht ervan. Deflatie wordt vaak gedefinieerd als het tegenovergestelde van inflatie, namelijk als een situatie waarin het algehele prijspeil over een langere periode daalt. Als er geen inflatie of deflatie is, kunnen we zeggen dat er prijsstabiliteit is wanneer, gemiddeld, de prijzen noch stijgen noch dalen maar gedurende een zekere periode stabiel blijven. Als men bijvoorbeeld voor €100 hetzelfde mandje goederen kan kopen als, zeg, een of twee jaar geleden, dan kan dit een periode van absolute prijsstabiliteit worden genoemd.

Consumptieprijsindex

De meeste landen hanteren een eenvoudige benadering tot het meten van inflatie en maken gebruik van de zogenoemde “Consumptieprijsindex” (CPI). Voor dit doeleinde wordt het koopgedrag van consumenten geanalyseerd om te bepalen welke goederen en diensten consumenten gewoonlijk kopen en die daarom op enigerlei wijze als representatief kunnen worden beschouwd voor de gemiddelde consument in een economie. Vandaar dat zij niet alleen die zaken die consumenten vrijwel dagelijks aanschaffen omvatten (bijvoorbeeld brood en fruit), maar ook aankopen van duurzame goederen (bijvoorbeeld auto’s, PC’s, wasmachines, etc.) en frequente transacties (bijvoorbeeld huur). Het samenstellen van dit “boodschappenlijstje” van “artikelen” en deze vervolgens wegen naar hun belangrijkheid binnen het budget van de consumenten heeft geleid tot de creatie van wat bekend staat als het “marktmandje”. Elke maand controleert een groot aantal “prijsinspecteurs” de prijzen van deze artikelen in verschillende winkels. Daarna worden de kosten van dit mandje over een bepaalde periode vergeleken en wordt zo een reeks bepaald voor de prijsindex. Het inflatiecijfer op jaarbasis kan dan worden berekend door de verandering in de kosten van het marktmandje van vandaag uit te drukken als een percentage van de kosten van het identieke mandje in het voorafgaande jaar. De ontwikkelingen in het prijspeil zoals die in zo’n mandje tot uitdrukking komen weerspiegelen echter alleen de situatie van een “gemiddelde” of representatieve consument. Wanneer het koopgedrag van een individu aanzienlijk verschilt van het gemiddelde consumptiepatroon en dus van het marktmandje waarop de index is gebaseerd, kan deze persoon een verandering in de kosten van levensonderhoud ervaren die verschilt van die welke de index laat zien. Er zullen daarom altijd mensen blijven die een hogere “inflatie” ervaren op hun “individuele mandje” en enkelen die een lagere “individuele inflatie” bemerken. Met andere woorden, de inflatie zoals die wordt gemeten door de index is slechts een benadering van de gemiddelde situatie in de economie; deze inflatie is niet identiek aan de algehele prijsveranderingen die elke individuele consument meemaakt.

Geldgroei

Onder normale omstandigheden zouden aanzienlijke of langdurige verschillen tussen de geldgroei en de referentiewaarde aangeven dat zich risico‘s voordoen voor de prijsstabiliteit op de middellange termijn. De referentiewaarde wordt afgeleid uit de verhouding tussen de geldgroei (ΔM), de infl atie (ΔP), de reële bbp-groei (ΔYR), en veranderingen in de omloopsnelheid (ΔV).Volgens deze identiteit, die bekend staat als de “kwantiteitsvergelijking”, is de mutatie in de geldhoeveelheid in een economie gelijk aan de mutatie in de nominale transacties (benaderd door de mutatie in het reële bbp plus de mutatie in het prijsniveau) minus de mutatie in de omloopsnelheid (zie ook Kader 4.3). Deze laatste kan gedefinieerd worden als de snelheid waarmee geld tussen verschillende houders circuleert en geeft dus aan hoeveel geld benodigd is om een bepaald niveau van nominale transacties mogelijk te maken.

HICP eurozone

ΔM = ΔYR + ΔP – ΔV De referentiewaarde belichaamt de definitie van prijsstabiliteit als een stijging van de HICP voor het eurogebied van minder dan 2% per jaar. Daarnaast is de referentiewaarde gebaseerd op aannames voor de middellange termijn ten aanzien van de mogelijke productiegroei en de trend van de omloopsnelheid van M3. In 1998 werd aangenomen dat de reële-bbp-groei voor het eurogebied op de middellange termijn 2–2½ % per jaar zou bedragen, een cijfer waarin ramingen van zowel internationale organisaties als de ECB tot uiting kwamen. Via diverse benaderingen werd de aanname omtrent de omloopsnelheid afgeleid, waarbij rekening gehouden werd met eenvoudige trends alsook de informatie die in complexere geldvraagmodellen besloten ligt. Tezamen wezen de uitkomsten van deze berekeningen op een daling van de omloopsnelheid van M3 van ½–1 % per jaar.

geldgroei cijfers

Op basis van deze aannames werd de referentiewaarde van de ECB in december 1998 door de Raad van Bestuur op 4½ % op jaarbasis gesteld, en deze bleef sindsdien ongewijzigd. De Raad van Bestuur controleert de validiteit van de voorwaarden en aannames die aan de referentiewaarde

ten grondslag liggen voortdurend en communiceert veranderingen in deze onderliggende aannames zodra deze noodzakelijk worden.

link: Geldgroei cijfers EU zone

 

Ron Paul voelt Ben Bernanke (FED) aan de tand..

Lijst van termen

Algemene Raad:
een van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank (ECB). De Algemene Raad bestaat uit de President en de Vice-President van de ECB en de Presidenten van alle nationale centrale banken van de EU.

Consumptieprijsindex:
eens per maand samengesteld met behulp van een zogenoemd “boodschappenmandje”. Voor het eurogebied wordt de Geharmoniseerde Consumptieprijsindex (HICP) gebruikt. Deze index wordt samengesteld op basis van een in het gehele eurogebied geharmoniseerde statistische methodologie.

Deflatie:
een aanhoudende daling van het algemene prijspeil, d.w.z. van de consumptieprijsindex, gedurende een lange periode. Directie: een van de besluitvormende organen van de ECB. De Directie omvat de President, de Vice-President en vier leden, benoemd in onderlinge overeenstemming tussen de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten die de euro hebben ingevoerd. Eurogebied: het gebied dat de lidstaten van de Europese Unie omvat die de euro hebben ingevoerd als gemeenschappelijke munt. Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB): samengesteld uit de ECB en de nationale centrale banken van alle lidstaten van het eurogebied, ongeacht of zij de euro hebben ingevoerd of niet. Europese Centrale Bank (ECB): de ECB is opgericht op 1 juni 1998 en is gevestigd in Frankfurt am Main (Duitsland). Zij vormt het hart van het Eurosysteem. Eurosysteem: samengesteld uit de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van die lidstaten die de euro al hebben ingevoerd.

Inflatie:
een stijging van het algemene prijspeil, d.w.z. van de consumptieprijsindex, gedurende een lange periode. Monetaire basis
in het eurogebied bestaat deze uit geld (bankbiljetten en munten) in omloop, de door tegenpartijen van het Eurosysteem aangehouden reserves en het geld dat op de depositofaciliteit van het Eurosysteem is gestort. Deze posten vormen passiva op de balans van het Eurosysteem. Reserves kunnen verder worden uitgesplitst in vereiste en overreserves. In het systeem van reserveverplichtingen van het Eurosysteem zijn tegenpartijen verplicht vereiste reserves aan te houden bij de nationale centrale banken. Naast deze vereiste reserves houden kredietinstellingen doorgaans slechts een gering bedrag aan vrijwillige overreserves aan bij het Eurosysteem.

Monetairebeleidsstrategie:
de algemene benadering van de monetairebeleidsvoering. De monetairebeleidsstrategie van de ECB omvat een kwantitatieve defi nitie van het hoofddoel van prijsstabiliteit en een analytisch kader gebaseerd op twee pijlers – de economische analyse en de monetaire analyse. Bovendien omvat de strategie algemene beginselen voor het voeren van het monetaire beleid, zoals de middellangetermijnoriëntatie. De strategie vormt de basis voor de algehele beoordeling door de Raad van Bestuur van de risico‘s voor de prijsstabiliteit en voor zijn monetairebeleidsbeslissingen. Het biedt tevens een kader voor het toelichten van monetairebeleidsbeslissingen aan het publiek.

Prijsstabiliteit:
het handhaven van prijsstabiliteit is het hoofddoel van het Eurosysteem. De Raad van Bestuur van de ECB heeft prijsstabiliteit gedefi nieerd als een jaarlijkse stijging van de HICP voor het eurogebied van minder dan 2%. De Raad stelt zich tevens tot doel de infl atie op jaarbasis op de middellange termijn onder maar dicht bij 2% te houden.

Raad van Bestuur:
het belangrijkste besluitvormende orgaan van de Europese Centrale Bank (ECB). De Raad van Bestuur omvat alle leden van de Directie en de Presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die op de euro zijn overgegaan.

Rente:
het percentage extra geld dat je krijgt als je je geld uitleent aan iemand anders (of het op een bankrekening laat staan), of het percentage aan extra geld dat je moet betalen als je geld leent. Ruilhandel:
het onderling ruilen van goederen en diensten zonder daarvoor geld te gebruiken als ruilmiddel. Dit kan alleen als er een wederzijdse behoefte aan de verhandelde goederen of diensten bestaat.

Transmissiemechanisme van het monetaire beleid:
het proces waarbij monetairebeleidsbesluiten doorwerken in de economie in het algemeen en het prijsniveau in het bijzonder.

Nout Wellink:”Rente verhogen hebben we de vorige maand al gedaan”

 

Bronnen: ECB, RTL, Ron Paul

Jun 16

De kredietcrisis en de wereldwijde onbalans hadden zich niet voorgedaan als centrale banken meer aandacht hadden besteed aan traditionele indicatoren zoals geldschepping en kredietgroei. Ongebreidelde geldgroei leidt uiteindelijk tot ongecontroleerde kredietgroei en inflatie. Dit werd te laat opgemerkt, omdat centrale banken tegenwoordig alleen nog maar oog hebben voor de consumenteninflatie die door de opkomst van de Aziatische economieën lang laag bleef. De geldgroei verstopte zich in huizenprijzen en de prijzen van obligaties, aandelen en derivaten.

geldgroei Nederland

In de eurozone is in de afgelopen jaren veel meer geld bijgedrukt dan is vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. In dat Verdrag hebben de landen afgesproken om de geldgroei (M3 * ) niet boven de 4,5% te laten uitkomen. Maar de werkelijke geldgroei ligt de laatste maanden stevig boven dit percentage.

In de drie maanden tot en met april bedroeg de groei gemiddeld 10,7%.

De stijging van de geldhoeveelheid overtreft de raming van vooraf geraadpleegde economen. Zij gingen uit van een stijging van de geldhoeveelheid in april met 10,3% en een stijging van het gemiddelde over de afgelopen drie maanden van 10,6%.

Als de geldhoeveelheid te hard groeit kan dat duiden op toenemend inflatiegevaar, wat van invloed kan zijn op de rentepolitiek van de Europese Centrale Bank (ECB). De ECB streeft naar een inflatie beneden de 2% voor de eurozone.

Zie ook meervrijheid.nl en dit stuk op de site van Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer informatie over inflatie kunt u hier vinden

* M staat voor money supply en de 3 voor het tellen van zowel chartaal geld (munten en biljetten), giraal geld en depositos.

Artikel 105 van het Verdrag van Maastricht: (Maastricht Treaty Article 105)

“Het hoofddoel van het ESCB (Europees Stelsel van Centrale Banken) is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit ondersteunt het ESCB het algemene economische beleid in de Gemeenschap teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2 omschreven doelstellingen van de Gemeenschap”.

Artikel 2 stelt als doelstellingen van de Gemeenschap:

“… het bevorderen van een harmonische en evenwichtige ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een duurzame en niet-inflatoire groei met inachtneming van het milieu, een hoge graad van convergentie van de economische prestaties, een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, een verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan en de economische en sociale samenhang tussen de Lidstaten”.

http://www.eurotreaties.com/maastrichtec.pdf

Hoewel het Verdrag van Maastricht duidelijk stelt dat de hoofddoelstelling van de ECB het handhaven van prijsstabiliteit is, wordt deze doelstelling niet expliciet uitgewerkt. De nadere precisering is door de ECB zelf opgesteld: “Prijsstabiliteit wordt gedefinieerd als een jaarlijkse stijging van de Geharmoniseerde Consumptieprijsindex (HICP) voor het eurogebied van onder, maar dichtbij 2%. Prijsstabiliteit moet worden gehandhaafd op de middellange termijn.”

IRIS(Rabobank) verwacht dat centrale banken, waaronder de ECB, een hogere inflatie feitelijk zullen accepteren. Tegelijkertijd neemt de macro-economische volatiliteit toe.

Het kabinet is hiervan volledig op de hoogte…

Waar komt geld vandaan?

In de VS is de geldgroei nog veel hoger…

Pam Woodall, The Economist

Schulden europa