Geld en bankwezen

Euros1 Geld, functies en ontstaan

In een ontwikkelde samenleving is het gebruik van een ruilmiddel noodzakelijk. Deze noodzaak vloeit voort uit de arbeidsverdeling die weer het gevolg is van specialisatie. Zonder ruilmiddel is het zoeken naar geschikte ruilpartners een tijdrovende zaak. Om dit tijdverlies en daarmee het welvaartsverlies te voorkomen is een algemeen aanvaard ruilmiddel nodig. Geld is geld in economische zin als het algemeen aanvaard is. Verder kan een goed alleen dan als ruilmiddel goed fungeren als het de volgende vier functies kan vervullen:

1. De ruilmiddelfunctie – algemeen aanvaard
2. De waardemeter- of rekeneenheidfunctie – deelbaar
3. De spaar- of oppotmiddelfunctie – niet bederfe- lijk, waardevast
4. De betaalmiddelfunctie – in klein bestek een grote waarde

In de loop der eeuwen zien we dat verschillende goederen als geld hebben gefungeerd. Eerst het kleinvee (Latijnse aanduiding: pecunia) en later de edele metalen, goud, zilver, platina. Vervolgens de intrede van fiduciair geld: tekenmunten. Later de goldsmith-notes: bankbiljetten (papiergeld). Tegenwoordig: onzichtbaar geld, girale tegoeden.

Met de intrede van de tekenmunten ontstond het fiduciaire geld, want het ontleende zijn waarde aan vertrouwen. Fiduciair geld heeft de eigenschap dat de nominale waarde groter is dan de intrinsieke waarde. De intrinsieke waarde is gebaseerd op het materiaal en de schaarste ervan. Volgens Gresham zal het geld met de laagste intrinsieke waarde -mits het vertrouwd wordt- altijd het geld met hogere intrinsieke waarde uit het betalingsverkeer verdringen. Wet van Gresham: bad money drives out good money.

De waarde van het geld wordt aangegeven door het begrip koopkracht of de reële waarde. Het aantal goederen dat met een geldeenheid gekocht kan worden is dus de reële waarde, de koopkracht van het geld. In formulevorm geldt dan: P x Q = 1 Hierin is P het gemiddelde prijspeil van de goederen en diensten en Q het aantal goederen en diensten. 1 is de geldeenheid. Uit deze definitie is af te leiden dat de koopkracht Q gelijk is aan 1/P. Met behulp van deze formule kan de koopkracht worden afgeleid uit groeifactoren. Als er 4% inflatie is dan is 1,04 x Q = 1 dus Q = 1/1,04 = 0,962 dus de koopkracht daalt met 3,8%.

2 Het girale geld, geldschepping

In onze samenleving zijn verschillende financiële instellingen actief. Zij vervullen de volgende functies:

1. Verzorging betalingsverkeer
2. Krediet verlening
3. Vermogensbeheer

We onderscheiden daarbij drie soorten financiële instellingen:
De algemene banken, waar alle bankzaken kunnen worden verricht
De specifieke banken, waar slechts een bepaald soort transacties mogelijk is
De overige financiële instellingen, die vooral vermogen beheren

Algemene banken zijn primaire banken. Zij kunnen door krediettransacties geld scheppen. Hun kortlopende schulden zijn meestal niet voor 100% gedekt door kasmiddelen. Voorbeelden hiervan zijn: ABN-Amro, Rabobanken, Postbank-ING, Paribas, SNS, Bondsspaarbank, …

Specifieke banken zijn secundaire banken. Zij kunnen door krediettransacties geen geld scheppen. Zij horen bij het publiek. Zij zijn dus voornamelijk kredietbemiddelend. Voorbeelden hiervan zijn de hypotheekbanken, De Algemene Spaarbank Nederland, BNG (Bank Nederlandse Gemeenten), Grenswisselkantoren, …

De overige financiële instellingen zijn voornamelijk pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappij- en en beleggingsinstellingen. Zij ontvangen een regelmatige stroom geld die zij voor langere tijd moeten beheren. Zij zoeken daarvoor beleggingsmogelijkheden. Daarom worden zij ook wel de institutionele beleggers genoemd. Ook deze instellingen kunnen geen geld scheppen en behoren bij het publiek.

De Nederlandsche Bank (DNB) is circulatiebank en brengt munten en bankbiljetten in omloop. Al deze munten en bankbiljetten zijn wettige betaalmiddelen en heten daarom chartaal geld. Omdat het publiek steeds meer gebruik maakt van girale overschrijvingen als betaling bij transacties wordt ook het girale geld tot de koopkracht van het publiek gerekend. Giraal geld bestaat uit alle direct opvraagbare tegoeden van het publiek bij geldscheppende instellingen.

De maatschappelijke geldhoeveelheid is al het chartale en girale geld in handen van het publiek. De algemene banken vormen een onderdeel van de geldscheppende instellingen, want samen met het Rijk en De Nederlandsche Bank behoren zij niet tot het publiek. Alleen de geldscheppende instellingen kunnen de geldhoeveelheid vergroten. Een activiteit waarbij de maatschappelijke geldhoeveelheid wordt vergroot heet geldschepping.

Het geld in de kassen van de geldscheppende instellingen wordt niet bij de maatschappelijke geldhoeveelheid gerekend omdat hiervoor in de plaats het girale geld gekomen is. De behoefte aan chartaal geld is overigens door nieuwe betalingsmethoden als credit-card, pinpas, chipknip, etc. aan het afnemen. Geldscheppende banken merken dit door een verminderde opvragingsgewoonte en houden zo kasgeld over. De verhouding tussen chartaal geld en giraal geld is momenteel circa 2:5. Enkele jaren gelden was dit nog 1:2.

Het onderscheid in financiële instellingen is ook te maken aan de hand van de balans. Aan de activa-zijde staan de dekkingsmiddelen voor de direct opeisbare verplichtingen. Een primaire bank zal een laag dekkingspercentage hebben en een secundaire bank heeft een hoog dekkings- percentage. Omdat DNB in de afgelopen decennia aan met name de spaarbanken het recht gaf om ook direct-opeisbare spaartegoeden aan te houden is bij deze banken het dekkingspercentage langzamerhand gedaald. Dit is de reden dat de spaarinstellingen met direct-opeisbare verplichtin- gen ook tot de primaire banken behoren. Als dekkingsmiddelen fungeren de liquide middelen, dit zijn hun kasmiddelen en tegoed bij DNB.

3 Het geldscheppend vermogen, geldscheppingstechnieken

Aan de activa-zijde op de balans staan niet alleen de liquide middelen, maar ook de vaste activa (gebouwen en inventaris), de vorderingen (debiteuren) verdeeld in lang- en kortlopend, en de financiële activa, zoals effecten, valuta’s en/of valutavorderingen.

Aan de passiva-zijde op de balans staat het eigen vermogen (aandelen en reserves), het vreemd vermogen op lange termijn (spaargelden, langlopende termijndeposito’s, opgenomen kredieten), het vreemd vermogen op korte termijn (tegoeden in rekening courant, kortlopende termijndeposito’s, spaargelden, valutategoeden, voorschot bij DNB)

De kasliquiditeit wordt bepaald door de liquide middelen te berekenen als percentage van de rekening courant-tegoeden (het girale geld): kasliquiditeitspercentage. Deze kasliquiditeit bepaalt samen met de opvragingsgewoonte en de omvang der dekkingsmiddelen het geldscheppend vermogen van een bank. DNB kan uit hoofde van de Wet Toezicht Kredietwezen een minimale kasliquiditeit in plaats van de opvragingsgewoonte instellen.

Rekenvoorbeeld: Stel het publiek vraagt maximaal 20% van de girale tegoeden per maand chartaal op. Aan het begin van de maand heeft een primaire bank 10 miljoen aan dekkingsmiddelen en er staat 40 miljoen op de girorekeningen. De
dan geldende kasliquiditeit is 10/40 x 100% = 25% Deze bank heeft dan liquide middelen teveel, want er is slechts 20% van 40 miljoen = 8 miljoen aan liquide middelen nodig. Dat is dus 2 miljoen teveel. Deze bank zou dit overschot aan dekkingsmiddelen als dekking voor nieuwe girale tegoeden kunnen benutten. Het is dan voldoende dat er mensen komen lenen, een schuldbekentenis voor langere tijd tekenen en het geld op hun giro zetten. Omdat de bank tot een kasliquiditeit van 20% zou kunnen zakken kan zij 10/0,20 = 50 miljoen aan girale tegoeden hebben uitstaan. Dit betekent dat zij voor 10 miljoen aan geld kan scheppen. Dit is 25% van het girale geld aan het begin van de maand!

In formulevorm:
G= girale tegoeden
k = L/G
L= liquide middelen
k= kasliquiditeit
l = L/(G+dG) <=> G+dG=L/l <=> dG = L/l – G
l= minimale kasliquiditeit
dG=geldschepping dG/G = k/l – 1

Het geldscheppend vermogen wordt dus bepaald door de liquide middelen, de minimale kasliquiditeit en de girale tegoeden van het publiek, oftewel de verhouding tussen kasliquiditeit en minimale kasliquiditeit. Door meer geld dan normaal op te vragen wordt het geldscheppend vermogen aangetast. Maar door minder op te vragen wordt het geldscheppend vermogen vergroot.

Het omzetten van giraal in chartaal geld en omgekeerd heet substitutie. Hierboven werd aangegeven dat door leningen uit te schrijven geld geschapen wordt. Dit is geldschepping in girale zin en staat bekend als wederzijdse schuldaanvaarding. Geldschepping in chartale zin zal een kleinere bijdrage aan de geldgroei geven. In bovenstaand voorbeeld kan maximaal voor 2 miljoen chartaal uitgeleend worden. Het omzetten van spaargeld in giraal geld of van andere tegoeden in giraal geld is eveneens geldschepping en deze techniek noemen we transformatie.

De voor transformatie gebruikte kortlopende tegoeden noemt DNB de secundaire liquiditeiten. Hierop is een aanscherping nodig. Alleen kortlopende vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen die zonder veel koersverlies of kosten en masse kunnen worden omgezet in primaire liquiditeiten (M1) mogen we meerekenen. In de praktijk zijn dit de korte termijndeposito’s en de korte valutategoeden. Dus de looptijd ervan mag niet langer dan zes maanden zijn.
M1 = chartaal + giraal geld;
M2 = M1 + korte termijndeposito’s + korte valutategoeden;
M3 = M2 + kort spaargeld.

Deze drie grondbegrippen voor de liquiditeitenmassa zijn de basis waarop DNB haar geldhoeveelheidsbeleid baseert.

4 De vermogensmarkt

De transacties waarbij schuldtitels worden verhandeld noemen we vermogenstransacties. Hierbij wordt dus een schuldbewijs verhandeld. Schuldbewijzen zijn in principe elke vorm van een papieren vordering die vroeg of laat wordt terugbetaald. Er bestaan schuldvorderingen die in de praktijk nooit worden afgelost: aandelen.

De vermogensmarkt wordt verdeeld in twee deelmarkten: de geldmarkt en de kapitaalmarkt. Op de geldmarkt worden schuldtitels verhandeld met een oorspronkelijke looptijd van minder dan twee jaar en op de kapitaalmarkt is deze oorspronkelijke looptijd twee jaar of langer.

Voorbeelden van geldmarkt schuldtitels zijn de voorschotten die DNB aan de primaire banken geeft, het interbancair krediet, de daggeldleningen, de kasgeldleningen aan de lagere overheid, de Nederlandsche Bank Certificaten (NBC’s), het schatkistpapier (of de zogenaamde Dutch Treasury Certificates, de DTC’s), de kortlopende termijndeposito’s, de kortlopende valuta- vorderingen, etc.

Voorbeelden van kapitaalmarkt schuldtitels zijn de vele kredietvormen van het bankwezen aan het publiek, kredietvormen van het publiek aan het publiek, de staatsleningen, de obligatielenin- gen, aandelen, pandbrieven, hypotheken, opties, warrants, etc.

Op de geldmarkt zijn de belangrijkste marktpartijen het Rijk, DNB, de primaire banken, geldmarktmakelaars en enkele grote bedrijven (near banking). Vraag en aanbod bepalen op die markt de rente-tarieven. Naarmate de looptijd en het risico van een schuldtitel hoger is neemt het rentetarief toe. Daggeldleningen van een jaar doen een hogere rente dan driemaandsgeld.

Op de kapitaalmarkt is de rente natuurlijk nog hoger dan op de geldmarkt. Geld uitlenen op langere termijn houdt meer risico in voor degene die uitleent: faillissement schuldenaar, inflatie, etc. Op deze markt zijn voornamelijk de institutionele beleggers actief, maar natuurlijk ook iedereen die een lening sluit, bedrijven en gezinnen, verder ook de banken (zowel algemene als specifieke banken) de overheid (zowel de lagere als de rijksoverheid) en last but not least DNB. DNB heeft namelijk een portefeuille met staatsobligaties om in de kapitaalmarkt actief te kunnen zijn als zij dit nodig vindt (open marktpolitiek in de kapitaalmarkt).

De vergoedingen die voor de schuldtitels worden betaald worden enerzijds door de schaarstever- houdingen bepaald (vraag en aanbod) anderzijds door reële factoren als winstgevendheid en goede bedrijfsvoering. Zo zal het dividend op aandelen kunnen stijgen zodra de winsten van ondernemingen groeien. Oplopende winsten leiden dan weer tot meer vraag naar aandelen en dus tot koersstijgingen. Zo blijft de koers-winstverhouding toch weer stabiel.

Soms loopt de koers-winstverhouding door speculatie zo sterk op dat er een harde correctie optreedt: een minikrach. Dit was het geval in 1987 en een jaar later opnieuw. Ook in 1997 verwachte sommige beursgoeroe’s zo’n correctie.

Omdat de kapitaalmarktrente in de regel hoger is dan de geldmarktrente spreken we van een normale rente-structuur. Maar soms (vooral tegen het einde van het boekjaar) verkrapt de geldmarkt zo sterk dat de rente-tarieven op die markt boven die van de kapitaalmarkt uitsteken. Dat verschijnsel heet inverse rente-structuur. Deze situatie kan niet lang voortduren omdat dan veel beleggers afzien van een kapitaalmarkt-belegging, zodat daar het aanbod van middelen afneemt en op de geldmarkt toeneemt. Hier is dan sprake van substitutie tussen geldmarkt en kapitaalmarkt.

Opmerkelijk is nog de koersontwikkeling op de kapitaalmarkt. Bij een dalende rente stijgt de rente op tweede-hands obligaties. De vraag naar obligaties neemt immers toe. Maar tegelijkertijd neemt de vraag naar aandelen af, omdat het geld maar één keer uitgegeven kan worden. De aandelenkoersen blijven dan achter. Na de koersstijgingen van de obligaties en de koersdalingen van de aandelen blijkt de koers-winstverhouding van aandelen te zijn gedaald en neemt dus ook de vraag naar aandelen weer toe. De aandelenkoersen stijgen dus later pas.

Het rendement op obligaties is een soort richtsnoer voor het rendement op aandelen. Zodra dat rendement achterblijft dalen de aandelenkoersen. Maar andersom is ook vaak het geval. Bij een toenemend rendement op aandelen wordt het beleggen in minder renderende obligaties ook minder interessant en dalen de obligatiekoersen. In dit verband spreken we van substitutie-effecten op de kapitaalmarkt. Ook zijn beursstemmingen vaak van belang voor veranderingen van de koersen.

5 Geldtheorie

5.1 De verkeersvergelijkijking van Fischer

De maatschappelijke geldhoeveelheid M wordt iedere maand voor betalingen gebruikt. Hetzelfde geld wordt dus in feite herhaaldelijk gebruikt om inkomens uit te betalen en om de productie te bekostigen. In een jaar tijd ontstaat zo een totaal aan betalingen die een veelvoud V is van M. V wordt ook de omloopsnelheid genoemd.

Dat bedrag MxV is in principe gelijk aan de waarde van alle gesloten transacties T. De waarde van die transacties wordt bepaald door het gemiddelde prijspeil P van die transacties. Zo ontstaat de zogenaamde verkeersvergelijking van Fischer: M.V = P.T

Dit inzicht leidde tot de
klassieke stelling dat een vergroting van M (bijvoorbeeld door geldschepping) zal leiden tot een hoger prijspeil P, dus tot inflatie. Dit was overigens al duidelijk geworden in de tijd dat Piet Hein de zilvervloot binnenhaalde. De mercantilisten uit die tijd zagen nog niet in dat de welvaart niet van de geldhoeveelheid afhing maar van de productie. Adam Smith zag dit wel en schreef onder andere daarover zijn befaamde boek: Wealth of Nations. Hiermee ging het klassiek-economisch denken uit de achttiende eeuw van start. Grote economen als François Quesnay die de kringloop analyseerde, Ricardo, die de zegeningen van vrijhandel bepleitte en Marx, die met klassieke instrumenten beredeneerde dat we met ons kapitalistisch systeem de verelendung bevorderen… Een exponent van dat klassieke denken was ook Irving Fischer met de kwantiteitstheorie: MxV = PxT.

Deze klassieke econoom maakte echter wel enkele veronderstellingen: de omloopsnelheid is constant en de omvang van de transacties worden niet door de geldhoeveelheid be‹nvloed. Onder die veronderstellingen is deze theorie, beter bekend als de naïeve kwantiteitstheorie, inderdaad juist. Een vergroting van M leidt dan tot inflatie.

5.2 De Keynesiaanse visie op de verkeersvergelijking

In de depressie van de jaren dertig bleken echter heel andere verschijnselen op te treden. Had het geld bij de klassieken voornamelijk een ruilmiddelfunctie, in de depressie van de jaren dertig werd het voornamelijk gebruikt als oppotmiddel. Keynes zag dat het publiek geld oppotte in de hoop daar rijker van te worden. En omdat de prijzen daalden was dit inzicht zo vreemd nog niet.

Geld speelde dus in die tijd een rol in het rijker worden: men leed aan de geldillusie. Keynes ontwikkelde daartoe zijn belangrijke liquiditeitsvoorkeurtheorie. Hij onderscheidde namelijk drie verschillende motieven voor economische subjecten om geld in kas te houden:

1. Het transactiemotief
2. Het voorzorgmotief
3. Het beleggingsmotief (speculatiemotief)

Het transactiemotief leidt zowel voor de consument als voor de consument tot een door betalingsgewoonten aangehouden gemiddelde kasvoorraad. Deze betalings- en leefgewoonten veranderen in de samenleving niet snel en zijn dus ook inderdaad redelijk stabiel.

Er zijn perioden in het jaar dat er wat meer geld in de kassen zit, met Sinterklaas en Kerst, in de vakanties en met andere feestdagen, maar door de bank genomen is dit bedrag gemiddeld stabiel. Hieraan dankt de naïeve kwantiteitstheorie ook de veronderstelling dat de omloopsnelheid constant is.

In de jaren dertig was het bankwezen echter nogal onbetrouwbaar in de ogen van het publiek. Er waren banken failliet gegaan op black monday in oktober 1929 doordat zijzelf veel krediet op onderpand van effecten gaven en deze effecten waren na de beurskrach niets meer waard, dus ook het terugvorderen van de leningen gelukte hen niet. Deze faillissementen in het bankwezen leidden tot een toename van het aanhouden van kasgeld door het publiek uit oogpunt van voorzorg: als je voor onverwachte uitgaven komt te staan. Alleen een hoge rente zou daarin wellicht verandering kunnen brengen, maar juist in de jaren dertig stond de rente ongelooflijk laag.

Keynes weet dit verschijnsel aan de uitpuilende geldkassen van de beleggers. Hij noemde deze situatie van overliquiditeit de liquidity-trap. Het is dan niet meer mogelijk om de economie met monetair beleid te sturen. Keynes’ inzichten zijn overigens gebaseerd op zijn veronderstelling dat de bestedingen zwak op renteveranderingen reageren. Naast de bovengenoemde motieven om geld niet op de bank maar thuis in kas te houden zag Keynes nog een derde motief daarvoor: speculatie.

Het beleggen in obligaties levert tijdens de looptijd een vaste rente op, b.v. 4%. Als je dus een tienjarige obligatie koopt voor ƒ1.000 die 4% rente doet, dan ontvang je tien jaar lang ƒ40,-. Als na vijf jaar de rente gedaald is tot 2% op nieuwe obligaties dan is jouw obligatie op de tweede-hands markt meer waard dan ƒ1.000,-. Het verkopen van die obligatie leidt dan tot koerswinst. Maar zo’n lage rentestand is historisch gezien nogal vreemd. Veel beleggers zullen het gevoel krijgen dat de rente binnenkort wel weer zal gaan stijgen. Naarmate de rente verder daalt neemt dit aantal beleggers ook toe. Zij zullen dus bij dalende rente wachten tot deze weer gaat stijgen en hun geld in de speculatieve kas houden. Zij kopen dan nog geen te dure obligaties. Bij rentestijgingen gaan de koersen immers weer omlaag!

Het niet beleggen van hun geld uit dit motief betekent dus dat het in kas gehouden wordt op grond van een speculatieve verwachting. De speculatie-kas groeit bij rentedalingen. Het toenemen van de kasvoorraad van het publiek betekent automatisch een afname in de bestedingen. Vandaar dat er in de jaren dertig massale werkloosheid ontstond.

Voor de verkeersvergelijking betekent dit echter ook een afname van de omloopsnelheid V. In zo’n situatie zal een stijging van de maatschappelijke geldhoeveelheid niet tot inflatie leiden. De dalende omloopsnelheid zou de stijging immers teniet kunnen doen! Bovendien was in die periode de werkloosheid massaal en werd de productiecapaciteit bij lange na niet volledig bezet.

Het marktmechanisme faalde bij het tot stand brengen van evenwicht en het aantal te sluiten transacties kon eigenlijk zonder problemen toenemen, zonder dat dit zou leiden tot prijsinflatie. Er was immers geen sprake van toenemende schaarste zodra de vraag toenam!

Dus als er een bezettingsgraad van 60% heerst, en de omloopsnelheid daalt met 5% terwijl de maatschappelijke geldhoeveelheid met 8% toeneemt dan zien we met groeifactoren het volgende:
M.V = P.T
1,08.0,95 = P.T
P.T = 1,026

De waarde van de transacties stijgt dan met 2,6% en omdat deze waarde slechts 60% was van de maximale waarde neemt de bezettingsgraad toe tot 61,6% van de capaciteit blijkens de volgende berekening: 1,026 . 0,60 = 0,616.

Keynes’ conclusie was dan ook dat bij onderbesteding de toename van de geldhoeveelheid niet tot prijsinflatie zou leiden omdat deze toename voor een deel wordt geremd door de dalende omloopsnelheid en de alsnog optredende groei in de uitgaven voor een toename van het aantal transacties zou leiden. Met dit inzicht doorbrak hij trouwens de klassieke dichotomie. Volgens de klassieken was de reële sfeer geheel gescheiden van de monetaire sfeer: geld speelt een neutrale rol in de economie.

Geldbezit leidt niet tot een toename in de behoeftenbevrediging. De welvaart wordt niet door het geld maar door de productie bepaald. In de jaren dertig houden mensen echter geld in kas om er wel meer behoeften mee te kunnen bevredigen: uit speculatie en in de verwachting dat na de prijsdaling men beter af is. Maar omdat deze prijzen slechts uiterst langzaam daalden duurde het te lang voordat de markt het evenwicht herstelde. De mensen leden dus aan de zogenaamde geldillusie.

In de liquidity-trap (de situatie van overliquiditeit bij de beleggers) kan de monetaire autoriteit weinig invloed op de reële sfeer uitoefenen. Monetaire politiek heeft dus volgens Keynes niet veel effect op de totale bestedingen. De rentedaling die van extra geld uitgaat vertaalt zich immers in een vertraging van de omloopsnelheid. Hij zag dus een nogal zwakke reactie van met name investeerders op rente-dalingen. Maar bij beleggers zag hij juist een sterke reactie in het aanhouden van kasgeld op rente-dalingen. Keynes was dan ook van mening dat het oplossen van de depressie uitsluitend een taak van de bestedende overheid moest zijn. De overheid dient haar bestedingen op te voeren en deze monetair (=geldscheppend) te financieren.

5.3 Het monetarisme

Een groep economen waarvan Milton Friedman de meest spraakmakende is, zag vooral na de Tweede
Wereldoorlog dat de onderbestedingstheorie van Keynes en het door hem gegeven recept tot een enorme inflatie leidde. De grote geldgroei in met name de VS was de oorzaak van de wereldwijde inflatie die vanaf het midden van de jaren 70 oplaaide. Deze geldgroei had als voornaamste oorzaak het financieren van de defensie-uitgaven door de VS en het instorten van het zogenaamde Bretton-Woods-systeem. De dollar daalde sterk in zowel externe als interne waarde.

De monetaristen verschillen met Keynes van inzicht op de volgende punten:

1. Het voorzorgmotief leidt niet tot het aanhouden van kasgeld, omdat het bankwezen wel betrouwbaar is. Er is dus altijd nog een gewoon spaar-alternatief tegen de geldende spaarrente. Zo komt het niet bestede geld dus nog wel in de kringloop en daardoor daalt de omloopsnelheid dus niet bij lagere rente.
2. Het aantal gesloten transacties wordt volledig door het marktmechanisme bepaald en is een afspiegeling van schaarsteverhoudingen. Prijzen die op een vrije markt tot stand komen hebben een regulerende werking. Wel is van belang dat we inzien dat inflatieverwachtingen een belangrijke invloed hebben op bestedingen: men zal het geld versneld uitgeven indien men een prijsstijging verwacht. Monetaristen zijn daarom van mening dat de monetaire politiek gericht moet zijn op het vermijden van de geringste inflatieverwachting.
3. Het speculeren wordt door hen niet ontkend, maar de Keynesiaanse analyse gaat voorbij aan de vele beleggingsalternatieven die er zijn. Bovendien is met name de duurzame consumptie rentegevoelig omdat de aanschaf vaak met spaargeld of geleend geld plaatsvindt. De Keynesianen zien juist een zwakke rentegevoeligheid in de re‰le sfeer. Bij monetaristen is die rentegevoeligheid van bestedingen juist heel sterk. Op de vraag of het aanhouden van kasgeld zelf rentegevoelig is geven zij echter een ontkennend antwoord. De kas die men thuis aanhoudt is volgens hen in het geheel niet rentegevoelig, terwijl dat bij Keynes sterk het geval is.

Op grond van deze drie verschillen in inzicht komen monetaristen tot de conclusie dat het gebruik van de geldhoeveelheid om onderbesteding op te lossen vermeden moet worden. Zij beweren dat dit hoe dan ook tot inflatie leidt. Zij hebben namelijk zowel de omloopsnelheid als de transactie-omvang weer als onveranderlijk aangemerkt. Dit betekent dus een terugkeer naar de klassieke opvatting dat geldgroei tot inflatie leidt, zij het op basis van geheel andere argumenten.

De meeste centrale banken hanteren in hun monetaire beleid een monetaristische visie. Ook De Nederlandsche Bank gaat uit van een beheerste geldgroei die de inflatie niet mag aanwakkeren. De mate waarin de geldhoeveelheid mag groeien wordt bepaald door de groei van het Bruto Binnenlands Product tegen marktprijzen. Als beide grootheden met hetzelfde percentage toenemen blijft het geld zijn neutrale karakter in de economie behouden. Het fungeert dan immers voornamelijk als ruil- en betaalmiddel en minder als oppotmiddel.

Het stabiliseren van de verhouding tussen de binnenlandse liquiditeitenmassa (M3) en het bruto binnenlands product tegen marktprijzen staat bekend als groot monetair beleid. Dit komt in een volgend hoofdstuk aan de orde.

6 Het bankwezen

Kredietinstellingen kunnen worden onderverdeeld in geldscheppende en niet-geldscheppende instellingen. De eerste groep heeft als hoofdkenmerk dat het publiek direct opvraagbare tegoeden heeft die niet voor 100% met kasmiddelen zijn afgedekt. Dit betekent dus inderdaad dat er voor het in kas liggende chartale geld een grotere hoeveelheid giraal geld in de plaats is gekomen. Per definitie hebben we dan te maken met een geldscheppende instelling. De geldscheppende instellingen zijn:
het rijk
DNB
primaire banken
algemene banken
coöperatieve banken
effecten-kredietinstellingen
spaarbanken

De niet-geldscheppende instellingen hanteren in de regel geen direct-opvraagbare tegoeden. Zij betrekken op de vermogensmarkt langlopende middelen die zij langlopend uitzetten.Dit langlopende bedrijf komen we overigens ook tegen bij de geldscheppende instellingen. Deze wijze van kredietverlening staat bekend als kredietbemiddeling. Het geld in de kassen van niet-geldscheppende instellingen hoort bij de maatschappelijke geldhoeveelheid (M1). Zodra dit geld wordt opgenomen door iemand van het publiek vindt er dus geen geldschepping plaats. Het is een transactie tussen publiek en publiek. De secundaire banken behoren tot de niet-geldscheppende instellingen. Secundaire banken zijn:
hypotheekbanken
grenswisselkantoren
kredietinstellingen voor particulier krediet (zie TV-gidsen)
bank nederlandse gemeenten

Een andere groep instellingen die zich op de vermogensmarkt met krediethandelingen bezig houden zijn de institutionele beleggers: verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en steeds meer grote ondernemingen. De laatste groep heeft een grote cash-flow en benut die door dit geld kort of langlopend uit te zetten.De institutionele beleggers hebben een belangrijke functie in het doorsluizen van de particuliere besparingen naar de particuliere investeerders. Ook de overheid benut deze dienstverlening door bij deze instellingen veel krediet op te nemen.

Share Button