Een Marxistische kijk op het Kapitalisme

Hier heb ik de onderstaande tekst gevonden. Hoewel ik zelf niet in het Marxisme geloof vind ik de inhoud toch wel erg interessant.

Concentratie, Monopolievorming en Imperialisme als hoogste Stadium van het Kapitalisme

Eén van de meest kenmerkende bijzonderheden van het kapitalisme is de concentratie van de produktie. We zien dit in ons dagelijks leven om ons heen, waar we de buurtwinkels failliet zien gaan als gevolg van de steeds groter wordende supermarktketens en grootwinkelbedrijven, waar fusie op fusie volgt. Uit officiële cijfers die Lenin geeft blijkt dat in Amerika in 1904 bij 1900 bedrijven 1,4 miljoen arbeiders werkten en dat de jaarlijkse produktie 5,6 miljard d.w.z. 38% van het landelijk totaal bedroeg. In 1909 waren dit 3060 bedrijven met 2 miljoen arbeiders en een produktie van 9 miljard ofwel 43,8% van het landelijk totaal.3 In 1907 had het Duitse AEG 30.700 mensen in dienst en een omzet van 216 miljoen DM. In 1911 waren er 60.800 arbeiders en een omzet van 362 miljoen DM.4 Anno 1996 werkten bij General Motors alleen 700.000 mensen en was het bedrijfsresultaat 170 miljard, meer dan de gehele economie van Noorwegen!

Toen Marx en Engels het Communistisch Manifest schreven had het kapitalisme nog de vorm van de vrije concurrentie. Deze vrije concurrentie bracht voor iedere ondernemer evenwel de noodzaak mee meer en goedkoper te produceren dan zijn concurrent. Het gevolg was dat de produktie meer en meer geconcentreerd raakte in steeds minder, maar steeds grotere ondernemingen. Daar kwam bij dat in tijden van crisis (1873-1884 en 1900-1903) de grotere ondernemingen de kleintjes die als gevolg van de crisis ten onder dreigden te gaan voor weinig geld opkochten. Zo ontstond eigenlijk als vanzelf een situatie waarbij monopolie-vorming voor de hand lag; immers: onderlinge afspraken worden makke-lijker met een paar grote ondernemingen gemaakt dan met talloze kleintjes. Bovendien wordt het moeilijker om tegen deze grote ondernemingen te concurreren en dat bevordert dan weer monopolistische tendenties.

De macht van de grote ondernemingen werd bovendien nog drukkender door de ontwikkeling van de banken van eenvoudige bemiddelaars tot monopolisten..

..met de concentratie van het kapitaal en het stijgen van de omzet der banken (is) hun betekenis in wezen verandert. Uit de afzonderlijke kapitalisten ontstaat één enkele collectieve kapitalist. De bank, die voor bepaalde kapita-listen er een rekening-courant op nahoudt, verricht ogenschijnlijk een zuiver technische uitsluitend als hulpdienst te beschouwen handeling. Zodra deze handeling echter reusachtige afmetingen aanneemt, zal blijken dat een handjevol monopolisten de handels,- en industriële transacties van de gehele kapitalistische maatschappij aan zich ondergeschikt maakt. Dit dank zij het feit dat zij door hun connecties, rekeningen-courant en andere financiële operaties de mogelijkheid krijgen zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van de stand van zaken van een bepaald bedrijf, dit dan te controleren en vervolgens te beïnvloeden door de omvang van het krediet te verruimen of te beperken of aan het verlenen van krediet gemakkelijkere of zwaardere voorwaarden te verbinden, en tenslotte het lot van het bedrijf geheel en al te bepalen, de hoogte van zijn inkomsten vast te stellen, er kapitaal aan te onttrekken, of het in staat te stellen het kapitaal snel en op grote schaal te vermeerderen enz.

Daar kwam bij dat de grootste ondernemingen en de banken personele banden aangingen, doordat bankdirecteuren lid werden van raden van commissarissen van ondernemingen en viceversa of door het verkrijgen van aandelen. Op eenzelfde wijze werden connecties tussen banken en ondernemingen met regeringen aangegaan. Heden ten dage wordt het heel gewoon gevonden dat parlementariërs commissariaten in het bedrijfsleven hebben, zolang ze maar niet te openlijk de bedrijfsbelangen behartigen en “Beste Els” briefjes a la Bolkenstein door journalisten worden onderschept. En dan nog stelt niemand het wezen van deze belangenbehartiging ter discussie. Aldus ontwikkelde zich het financierskapitaal uit de concentratie van de produktie, het daaruit ontstaan van monopolies, het samensmelten of vergroeien van de banken met de industrie7 Het financierskapitaal werd tot een financiersoligarchie doordat grote financiers via een stelsel van deelnemingen door bezit van aandelen in moederondernemingen meerdere van haar afhankelijke dochterondernemingen konden beheersen en zo over enorme bedragen aan kapitaal konden beschikken. Deze financiersoligarchie buit vervolgens haar monopoliepositie uit en behaalt steeds grote winsten.

Het oude kapitalisme van de vrije concurrentie werd gekenmerkt door de export van waren. De produktie steeg, maar de vraag naar produkten hield daarmee geen gelijke tred. Dat komt doordat de kapitalistische produktiewijze niet gericht is op de behoefte van de massa, maar voortkomt uit het streven naar maximale winst van de ondernemer, die om dat te bereiken meer af moet zetten dan zijn concurrent. De ondernemer is daardoor bovendien genoodzaakt zo goedkoop mogelijk te produceren en zal daarom de loonkosten zo laag mogelijk houden. Dit laatste heeft echter tot gevolg dat zijn produkten op een gegeven moment in eigen land niet meer voldoende afgenomen kunnen worden. Er ontstaat een produktie overschot. Om zijn goederen toch af te zetten zoekt hij buitenlandse markten op waar hij die goederen verhandelt tegen grondstoffen.

Met de ontwikkeling van imperialisme, waarbij het financierskapitaal het voor het zeggen kreeg, veranderde dit patroon en kapitaalexport kreeg de overhand en werd een middel om de goederenexport te bevorderen.

Op de drempel van de 20ste eeuw (ontstond) de monopolistische positie van enkele zeer rijke landen, waar de accumulatie van kapitaal geweldige afmetingen had bereikt. In de ontwikkelde landen ontstond een enorm “kapitaaloverschot” (…) Zolang het kapitalisme kapitalisme blijft wordt het kapitaaloverschot niet gebruikt om het levenspeil van de massa’s in het desbetreffende land te verhogen – dit zou immers een vermindering van de winst van de kapitalisten betekenen -, maar voor verhoging van de winst door middel van kapitaalexport naar het buitenland, naar achtergebleven landen. In deze onderontwikkelde landen is de winst gewoonlijk hoog, want er is weinig kapitaal, terwijl de prijs van de grond betrekkelijk laag, het arbeidsloon gering en de grondstoffen goedkoop zijn. De mogelijkheid van kapitaalexport ontstaat, wanneer een aantal achtergebleven landen reeds in de kringloop van het wereldkapitalisme is betrokken, de belangrijkste spoorwegen gereed of in aanleg zijn en er elementaire voorwaarden aanwezig zijn voor industriële ontwikkeling enz. De noodzaak van kapitaalexport ontstaat wanneer het kapitalisme in sommige landen overrijp is geworden en het kapitaal (gezien de ten achter gebleven landbouw en de armoede van de massa’s onvoldoende gelegenheid tot “rendabele” belegging vindt8

De kapitaalexport groeide en de monopolies breidden hun buitenlandse betrekkingen en invloedssferen uit. Internationale monopolies ontstonden om zo onderling de wereldmarkt te
verdelen.

Behalve een economische verdeling vond ook een territoriale verdeling van de wereld plaats. Aan het begin van de twintigste eeuw was er dan ook geen “vrij” gebied meer over. Als gevolg van de koloniale politiek van de kapitalistische landen waren alle gebieden veroverd en de verovering van nieuwe gebieden betekende dan ook dat een gebied van zijn “bezitter” moest worden afgenomen. Daarmee was de strijd om de herverdeling van de wereld aan de orde. En deze strijd om herverdeling omwille van grondstoffen en afzetmarkten voor kapitaal en goederen leidt onvermijdelijk tot oorlogen. De geschiedenis van de twintigste eeuw is hiervan een lange bevestiging.

Zo had aan het begin van deze eeuw het kapitalisme het stadium van het imperialisme definitief bereikt.

De Herverdeling van de Wereld

De strijd om herverdeling van de wereld ontstaat doordat de ontwikkeling in de verschillende kapitalistische landen ongelijkmatig is. Daardoor ontstaat er een ongelijke verdeling van de invloedssferen en koloniën en dus van afzetmarkten en toegang tot grondstoffen. De krachtsverhoudingen tussen de verschillende kapitalistische staten veranderd daardoor en het evenwicht binnen het kapitalistische wereldstelsel raakt ernstig verstoord. Dit leidt tot splitsing in vijandelijke groepen en tot oorlog.

oorzaken en gevolgen van de Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog was zo’n imperialistische oorlog. De ontwikkeling van het kapitalisme was in Duitsland later op gang gekomen dan in andere landen. Aan het begin van de 20ste eeuw had Duitsland Engeland echter in industriële ontwikkeling reeds ingehaald en het begon Engeland en Frankrijk te verdringen op de wereldmarkten. Er vormden zich twee machtsblokken met aan de ene kant Duitsland dat een bondgenootschap had gesloten met Oostenrijk-Hongarije en Italië en aan de andere kant Frankrijk, Engeland en Tsaristisch Rusland. Lachende derde waren de monopolies en dan vooral de Amerikaanse. Hun winsten bedroegen in 1917 het drie- tot viervoudige van de winsten van 1914!

Tijdens deze wereldoorlog kwam de eerste etappe van de algemene crisis van het kapitalisme tot haar hoogtepunt. Deze crisis omvat het hele kapitalistische wereldstelsel. Zij wordt gekenmerkt door oorlogen en re-voluties, door de strijd van het kapitalisme in verval en het opkomende socialisme.

Van bijzonder groot belang in deze strijd was de Oktoberrevolutie in Rusland in 1917. Hierdoor werd het imperialistische front doorbroken en zijn heerschappij in de koloniën en afhankelijke landen ondermijnd. Daardoor werd het bestaan van het hele wereldimperialisme in gevaar gebracht. De wereld raakte verdeeld in twee stelsels: het kapitalistische en het socialistische.

Door de algemene crisis tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de druk van de moederlanden op de koloniën steeds groter. In de periode tussen de wereldoorlogen bleef de kapitaalexport naar deze landen toenemen. De industrie groeide er, maar in samenhang daarmee groeide ook het proletariaat. Mede onder invloed van de oktoberrevolutie ontstonden machtige nationale bevrijdingsbewegingen in China, India, Indonesië en andere landen.

Oorzaken en gevolgen van de tweede wereldoorlog

De verdeling van de wereld die de uitkomst was van de Eerste Wereld-oorlog was dan ook geen duurzame. Opnieuw leidde de wet van de ongelijkmatige ontwikkeling tot een verstoring van het evenwicht en ontstonden er twee vijandelijke kampen, met aan de ene kant de fascistische staten Duitsland, Italië en Japan en aan de andere kant de Ver-enigde Staten, Engeland en Japan, die probeerden de fascistische agressie af te wentelen op de Sovjet-Unie. Daarmee was deze Tweede Wereldoorlog niet slechts een imperialistische herverdelingsoorlog, maar tevens een strijd van het kapitalisme om het socialisme te vernietigen. Het socialisme bewees echter zijn superioriteit in een strijd die vele miljoenen Russen het leven kostte.

De Tweede Wereldoorlog had bovendien tot gevolg dat het koloniale stelsel uiteenviel als gevolg van een hernieuwde opleving van de nationale bevrijdingsstrijd in een groot aantal koloniën en afhankelijk landen. De Chinese volksrepubliek werd opgericht en ook in Korea en Indochina ontstonden volksrepublieken.
De imperialistische strijd om de wereldmacht en tegen het socialisme

Na de Tweede Wereldoorlog werd een onafgebroken strijd tegen het socialisme gevoerd. Deze strijd uitte zich zowel op het militaire vlak als op het politiek/ideologische. De Vietnam en Korea oorlogen zijn daarvan de meest schrijnende voorbeelden, maar ook het door de CIA ontketend bloedbad in Indonesië in 1965, waarbij 1 miljoen vermeende communisten werden afgeslacht en Soeharto de macht kon grijpen. Veel geraf-fineerder en succesvoller was de ideologische strijd, waarbij communistische partijen, zowel in socialistische als in kapitalistische landen werden geïnfiltreerd en systematisch op het verkeerde been werden gezet. Uiteindelijk leidde dit alles in 1989 tot het uiteenvallen van het socialistische stelsel in Oost-Europa en de Sovjet-Unie.

Intussen ging ook de strijd om de herverdeling van de wereld onverminderd voort. Het oude koloniale systeem kon geen stand meer houden, maar het imperialistische grootkapitaal vond andere vormen om toegang te krijgen tot de afzetmarkten en grondstoffen van onderontwikkelde landen. Deze vorm heeft de mooie naam vrijhandel meegekregen en had zijn voorlopige hoogtepunt moeten bereiken met het MAI-verdrag.
Vijftig jaar vrijhandel

Reeds in 1944 namen de Verenigde Staten het initiatief tot een ‘nieuwe economische orde’. Zo werden in 1944 het IMF en de Wereldbank opgericht. Daarmee werd de financiële basis voor deze ‘nieuwe orde’ gelegd. Het IMF kreeg aanvankelijk de taak de wisselkoersen te stabiliseren en de Wereldbank financierde en verdiende aan de wederopbouw van Europa. Sinds 1971, toen de goudstandaard werd losgelaten, verviel de belangrijkste taak van het IMF tot dan toe. Sinds die tijd houdt het IMF zich in toenemende mate bezig met het verstrekken van leningen aan landen die in finaciële problemen verkeren. Voorwaarden die het IMF hanteert bij het verstrekken van dergelijke leningen bestaan er uit dat regeringen staatsondernemingen moeten afstoten of privatiseren; sterk moeten bezuinigen op sociale voorzieningen of deze helemaal schrappen; normen betreffende arbeidsomstandigheden en milieu te versoepelen om zo staatsuitgaven te beperken.

Het zal eenieder duidelijk zijn wat hiervan de gevolgen zijn voor de gewone mensen,

Het was voor het grootkapitaal van met name de VS bovendien noodzakelijk dat ook de internationale handelsbetrekkingen zouden worden geliberaliseerd. De eerste pogingen daartoe werden in 1947/48 genomen, toen van november tot maart in Havana, de hoofdstad van het toen nog kapitalistische Cuba een VN handelsconferentie werd gehouden. Daar werd door 54 landen, waaronder Nederland, een Charter ondertekend, dat streefde naar de oprichting van een Internationale handelsorganisatie (ITO, International Trade Organisation). Dit mislukte echter omdat met name Engeland hierin haar imperialistische belangen zag bedreigd. De Amerikaanse regering liet zich echter niet voor een gat vangen en kwam in 1947 tot het General Agreement on Tarrifs and Trade (GATT). Deze Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel werd door 23 landen ondertekend. De overeenkomst voorzag gedurende verschillende onderhandelingsrondes van 1948 tot en met 1967 in steeds meer tariefsverlagingen van invoerheffingen. Tijdens de Tokio-ronde van 1973 -1979 werden bovendien voor het eerst nationale subsidies en vergunningseisen aan buitenlandse investeerders ter discussie gesteld. Van 1986-1993 volgde de Urugay-ronde waar
voor het eerst afspraken werden gemaakt over internationaal verkeer van diensten, textiel en geschillenregeling. Een aantal leden pleitte begin jaren negentig al voor een investeringakkoord als het MAI binnen het orgaan van de WTO. Binnen dit orgaan kon echter geen akkoord worden bereikt. Onderhandelingen liepen stuk op fel verzet van een aantal ontwikkelingslanden dat haar nationale ontwikkeling bedreigt zag.

In 1995 werden de besprekingen over het MAI daarom voortgezet tussen de 29 landen die aangesloten zijn in de OESO.

Eveneens in 1995 volgde de Wereld Handels Organisatie (WTO World Trade Organisation) de GATT op. Belangrijkste aspect is dat er nu is voorzien in een functie van scheidsrechter bij handelsruzies, De uitspraak van dit orgaan is bindend en geldig voor alle leden.

Nu het MAI sterke tegenstand ondervind worden echter maatregelen van het IMF overwogen, dat landen voortaan eisen betreffende buitenlandse investeringen op zal gaan leggen.

Conclusie

Met het bovenstaande hoop ik te hebben laten zien dat het MAI-verdrag niets anders is dan een logische stap in de ontwikkeling van het kapitalisme in crisis. Organisaties als het OESO en de WTO en hun pogingen om de wereldwijde handel te liberaliseren probeert het grootkapitaal de schoksgewijze ontwikkeling glad te strijken. Ze zouden er goed aan doen Marx en Lenin ter harte te nemen, dan zouden ze begrijpen dat de economische onderbouw zich niet door dergelijke kunstgrepen laat dwingen. De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal valt niet weg te strijken en treed slechts steeds scherper aan het licht als en op die plaatsen waar de crisis zich verscherpt. De internationale communistische beweging moet dan klaar zijn om de massa definitief te leiden naar het socialisme

Share Button