Jun 3

De wereldeconomie groeit, maar deze groei is niet duurzaam. De wereldwijde schulden groeien namelijk nog veel harder en dat brengt grote risico’s met zich mee. In China, de VS, maar ook in Nederland worden de scheuren zichtbaar.

Lees verder bij:

Feb 2

Ik heb de onderstaande post van een paar jaar geleden weer van stal gehaald. Dit omdat er nu een discussie over geldcreatie gaande is. Zelf zie ik bijv. geen heil in geldcreatie door de overheid. Als de overheid de huizenprijzen in de CPI had meegenomen,  hadden veel van de huidige problemen voorkomen kunnen worden. De overheid wordt naar mijn mening teveel gestuurd door de (polder)lobby. Aukje de Vries wordt bijv. op afstand bestuurd door de banken.

Waarom gaat deze crisis niet snel voorbij? Als u de overheid en de banken moet geloven heeft het met het vertrouwen van de burgers te maken. Hier ben ik het niet mee eens, het heeft vooral te maken met het totaal opgeblazen geldsysteem. In de onderstaande video’s wordt uitgelegd hoe het fout ging. Als u dit begrijpt maakt het niet meer uit wat u op verjaardagsfeestjes of het Staatsjournaal hoort. U weet wel beter!

 

Rabobank: De huizenmarkt is een zeepbel.

Waarom hebben wij een woningmarktcrisis die niet voorbij gaat?

Paul Schnabel pessimistisch over Nederlandse economie

uitgebreide uitleg

Nov 9

Gemiddeld is 18 procent van de koopwoningen in bezit van 70-plussers. Voor de gemeentelijke Wmo-budgetten is dat de komende vijftien jaar slecht nieuws. En daarna voor de lokale woningmarkt.

Het Kadaster bracht voor Binnenlands Bestuur het woningbezit onder 70-plussers in alle 408 Nederlandse gemeenten in kaart.

Over tien, vijftien jaar komen veel grote woningen min of meer tegelijkertijd op de markt, omdat de eigenaren overlijden of echt niet langer op eigen benen kunnen staan. Uit het Kadaster-onderzoek blijkt dat jongeren nauwelijks belangstelling hebben voor deze woningen. Ze zijn verouderd en te duur. De vraag is wie tegen die tijd woningaanpassing of sloop voor zijn rekening neemt.

Lees het gehele artikel op de site van  Binnenlands Bestuur

ned-70plus

Mar 9

Nederland heeft het afgelopen decennium de laagste groei met betrekking tot de particuliere consumptie van de 17 landen binnen de eurozone geboekt, wegens een afname in de inkomens en de zwakke vastgoedmarkt.

zie ook: De Nederlandse consumptie-economie

Dat stelt De Nederlandsche Bank (DNB) donderdag. “Over de afgelopen tien jaar is er nergens anders in de eurozone een dergelijk zwakke consumptiegroei geweest”, stelt de in Amsterdam gevestigde centrale bank in een verklaring.

“Dit is opmerkelijk, omdat Nederland in de jaren ’90 e e n van de landen was met de hoogste consumptiegroei”, staat in de verklaring.

zie ook: Hoe is de Nederlandse consumptie-economie onstaan? . Heertje: als kippen zonder kop

De Nederlandse economie viel in het vierde kwartaal van 2011 officieel terug in een recessie, bleek vorige maand uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), nadat het bruto binnenlands product (BBP) voor het tweede kwartaal op rij daalde.

“Een belangrijke factor hierbij is de daling in de huishoudelijke consumptie”, zegt DNB.

De centrale bank stelt dat de afgenomen groei voortkomt uit lagere salarissen, waarbij de bank meldt dat de inkomens gemiddeld met 0,7% per jaar zijn gedaald tussen 2002-2011, in tegenstelling tot de 3,2%-groei per jaar tussen 1992-2001.

zie ook: 3,5 miljoen huishoudens lopen financiële risico’s

Daarnaast onderstreept DNB de stijging in vastgoedprijzen tussen 1995-2001, waarbij de bank meldt dat eigenaren destijds aangemoedigd werden extra hypotheken te nemen en meer te besteden.

“Terwijl de vastgoedmarkt is verzwakt in de jaren daarna, nam ook de behoefte om te besteden af”, merkt DNB op, waar de bank aan toevoegt dat vastgoedprijzen in Nederland met 10% gedaald zijn ten opzichte van hun hoogste punt.

bron: RTL Z

Aug 17

De gebeurtenissen van de afgelopen jaren hebben nogmaals aangetoond hoe belangrijk de ontwikkelingen op de woningmarkten zijn voor de economie in haar geheel en voor de financiële stabiliteit.

Vanaf het midden van de jaren negentig droegen dynamische woningmarkten in de meeste geavanceerde economieën opvallend bij tot de instandhouding van een stevige economische groei. Lage rentes, financiële innovaties, soepele kredietvoorwaarden, een gestage groei van het beschikbaar inkomen en demografische factoren stimuleerden de vraag naar woningen en zorgden ervoor dat de woningprijzen en de investeringen in woongebouwen fors toenamen. Vermogenseffecten en – althans in sommige landen – praktijken zoals overwaardeverzilvering (mortgage equity withdrawal) maakten dat de particulieren hun consumptieve uitgaven opvoerden. Tegelijkertijd klom echter ook de schuldgraad van de huishoudens in bepaalde landen tot ongekende hoogten, wat ze uiterst kwetsbaar maakte voor negatieve schokken.

Nederland

In Nederland trokken de vastgoedprijzen in eerste instantie vanaf de tweede helft van de jaren negentig snel aan ; tijdens het decennium 2000 stegen ze vervolgens meer gematigd. De ontwikkelingen op de vastgoedmarkt gingen tijdens de eerste periode gepaard met een sterke werkgelegenheidscreatie en een forse toename van het beschikbaar inkomen van de huishoudens. Gedurende de hele periode werd de stijging van de vastgoedprijzen tevens in de hand gewerkt door de toenemende concurrentie tussen de aanbieders van hypothecaire kredieten en door de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt

 Risico’s

Ten eerste is er de normalisering van de rentetarieven. Zoals reeds vermeld, waren tijdens het afgelopen decennium de rentetarieven zeer laag als gevolg van verschillende factoren, bijvoorbeeld een zeer accommoderend monetair beleid en het spaaroverschot afkomstig uit de opkomende landen in Azië en uit de olie-exporterende landen. Die beweging ging gepaard met een toename van de schuldenlast van de niet-financiële private sector, met name de huishoudens, en een accumulatie van macro-economische evenwichtsverstoringen in tal van economieën.

De tweede risicofactor heeft betrekking op de potentiële groei van het bbp die lager zou kunnen uitvallen dan tijdens het voorgaande decennium. Een vertraging van de potentiële groei zal op haar beurt aanleiding geven tot een minder snelle stijging van het beschikbaar inkomen van de huishoudens en de vraag naar woningen drukken.

De financiële crisis heeft ten slotte geleid tot een snelle stijging van de publieke schuldenlast in de meeste geavanceerde economieën. De houdbaarheid van de overheidsfinanciën vergt een snelle correctie van de begrotingstekorten. Deze kan leiden tot een economische vertraging op korte termijn en kan wellicht het beschikbaar inkomen van de huishoudens drukken.

Conclusie

De laatste hausseperiode van de woningprijzen, die in de meeste geavanceerde landen omstreeks medio jaren negentig aanving, onderscheidt zich van vroegere opwaartse fases door haar uitzonderlijke duur, omvang en mate van synchronisatie. Lage rentes, financiële innovaties, soepele kredietvoorwaarden en demografische factoren voedden de vraag naar woningen en leidden tot een forse toename van de woningprijzen en van de investeringen in woongebouwen. De woningprijzen namen het sterkst toe in het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Ierland en Frankrijk. Ze stegen ook aanzienlijk, zij het in mindere mate, in België, Finland, de Verenigde Staten en Nederland. In Spanje en Ierland gaf dit verloop bovendien een krachtige impuls aan de vraag naar nieuwe woningen en aan de bedrijvigheid in de bouwsector, waarvan het aandeel in de totale toegevoegde waarde buitengewone proporties aannam. Tegelijkertijd steeg echter ook de schuldgraad van de huishoudens tot ongekende hoogten, wat hen uiterst kwetsbaar maakte voor negatieve schokken

bron  Nationale Bank van Belgie

Jun 8

In het kader van Room for Discussion, georganiseerd door studenten van de Economie faculteit van de Universiteit van Amsterdam en de Partij van de Arbeid, werd afgelopen maandag (06-06-2011) een discussie gehouden over de Griekse schuldencrisis. Deelnemers aan het debat waren Nout Wellink, president van De Nederlandse Bank, Willem Buiter, hoofdeconoom bij Citigroup, Arnoud Boot, professor Corporate Finance and Financial Markets aan de Universiteit van Amsterdam en Sweder van Wijnbergen, professor Macroeconomics aan de Universiteit van Amsterdam. Een zeer interessante discussie en kan nu hier worden teruggekeken.

De Griekse problematiek werd door de deelnemers verschillend ingeschat. Aan de ene kant van het spectrum staat Nout Wellink die, aangezien de economieën van Portugal, Ierland en Griekenland gecombineerd slechts zo’n 6% van Eurozone GDP vormen, van mening is dat dit in principe een oplosbaar probleem moet zijn. Het problematische is echter (volgens Wellink) dat Europa geen solidariteitsgemeenschap is. Vandaar dat geen geldtransfers naar probleemlanden kunnen gaan, maar dat dit moet gebeuren in de vorm van leningen, in de veronderstelling dat die in de toekomst worden terugbetaald. De herstructurering van de Griekse schulden is volgens Wellink niet noodzakelijk; Griekenland moet de tijd worden gegeven om de hervormingen door te voeren en gepraat over herstructurering frustreert dit proces.

Aan de andere kant van het spectrum staat Arnoud Boot, voorstander van herstructurering die gepaard moet gaan met grote fundamentele hervormingen. Niet alleen in Griekenland, maar ook in de Eurozone. Macro-economische onevenwichtigheden (zoals tekorten op de lopende rekening, grote kapitaalinstromen die assetbubbels tot gevolg hebben, etc.) moeten worden geadresseerd. Dit kan worden gedaan door vergaande Europese politieke en fiscale integratie (“fiscal power to Brussels”) of een Europees kader van regulatie die onevenwichtigheden tegen moet gaan. Dit zou bijvoorbeeld kunnen inhouden dat Europa meer inspraak krijgt op overheidsbeleid ten aanzien van de huizenmarkt (Europa zou overheden moeten kunnen dwingen zaken als hypotheekrenteaftrek etc. te beperken, of regulatie af te dwingen ten aanzien van tophypotheken; “Tophypotheken zijn een tikkende tijdbom”). Vergaande bevoegdheden voor Europa om in een vroeg stadium in te kunnen grijpen zouden de noodzaak voor fiscale integratie kunnen verminderen.

Het hele artikel kunt u lezen op money-for-nothing.nl

Feb 26

Enorme kredietgroei en een snel stijgende geldhoeveelheid. China lijkt verdacht veel op Europa en de VS van voor de kredietcrisis. Klinkt er straks een harde knal in het oosten?

Je herinnert je nog wel die absurd hoge Europese geldgroei in de jaren voor de kredietcrisis. De hoeveelheid euro’s in omloop steeg met meer dan 10 procent per jaar, in sommige maanden zelfs met ruim 12 procent.

In de Verenigde Staten bleven de groeipercentages daar niet veel bij achter.

De hoge geldgroei verbaasde veel economen, maar echt zorgen maakte men zich er niet om. Nu weten we dat de overvloed aan euro’s en dollars een symptoom was van volstrekt uit de hand gelopen kredietverlening.

Nadat de kredietzeepbel knapte en de crisis in volle hevigheid uitbrak groeide de geldhoeveelheid in Europa en de VS nauwelijks meer. Zo steeg in januari de hoeveelheid euro’s in omloop met een verwaarloosbare 0,1 procent.

Absurde geldgroei
Voor absurde geldgroei moet je nu naar het oosten.

Lees verder op Z24.nl

Nov 26

De geldhoeveelheid in de eurozone groeit trager dan ooit en de kredieten van de banken aan de privésector dalen meer dan ooit. Deze tegenvallende cijfers suggereren dat er geen inflatiegevaar bestaat en dat de Europese Centrale Bank (ECB) slechts heel geleidelijk haar leningen aan de banken zal afbouwen.

(tijd) – De geldhoeveelheid (M3) steeg in oktober slechts met 0,3 procent jaar op jaar, tegenover 1,8 procent in september. De ECB streeft naar een geldgroei van 4,5 procent.

Monetary aggregate M3

De leningen van de banken aan de privésector daalden in oktober met 0,8 procent jaar op jaar na een terugval van 0,3 procent in september. De kredietverlening aan niet-financiële bedrijven zakte met 1,2 procent na een daling met 0,2 procent de vorige maand. De kredietverstrekking aan de gezinnen verminderde met 0,1 procent na een achteruitgang met 0,3 procent.

Monetary aggregate M3 and M1

Onderzoek van de ECB toont aan dat de kredietverlening aan gezinnen een licht voorlopende indicator is. De kredietverstrekking aan niet-financiële bedrijven daarentegen is een indicator die drie kwartalen achterloopt op de economische activiteit.

‘De geld- en kredietcijfers geven de ECB een sterk argument om haar monetaire stimulans slechts geleidelijk af te bouwen’, zegt ING-econoom Martin van Vliet. ‘Onze werkhypothese blijft dat de ECB in de eerste helft van 2010 de meeste niet-conventionele maatregelen afbouwt en in de tweede helft van volgend jaar de rente begint te verhogen.’

bron: De Tijd

Sep 18

Veel mensen weten niet dat naast centrale banken de primaire banken het recht hebben om geld uit het niets te creëren. Het geld voor uw hypotheek wordt dus uit het niets geschapen, gewoon met een druk op de knop..

primaire banken

De primaire banken (b.v. ABN/AMRO, RABO, ING, SNS) zijn de geldscheppende banken, dat wil zeggen dat zij met een zekere kas een grotere girale geldhoeveelheid dan deze kas kunnen maken, via girale kredietverlening. Zij weten namelijk uit ervaring dat de rekeninghouders slechts een klein deel van hun geld in chartale vorm komen opeisen en hebben dus geld ‘over’, waarmee ze een girale “zeepbel” kunnen opblazen, die echter ook niet te groot mag worden in verband met de vereiste liquiditeit ( “de zeepbel kan knappen” en de bank is failliet, omdat zij niet aan de opvragingen van het publiek kan voldoen). Zij willen natuurlijk zoveel mogelijk giraal krediet verlenen om zoveel mogelijk rentewinst te maken. De Nederlandsche Bank (DNB) houdt hen natuurlijk wel in de gaten dat ze niet teveel geld scheppen, in verband met inflatiegevaar.

secundaire banken

De secundaire banken (b.v. Friesch-Groningse hypotheekbank, ‘Spaarbank van ome Jan op de hoek’) kunnen nooit meer geld uitlenen dan dat zij zelf hebben gekregen van ander publiek via ingelegd spaargeld (spaarbanken) of via verkochte pandbrieven (hypotheekbanken). Ik zal beide soorten banken illustreren met een “balansje”, waarbij debet/activa betekent: de bezittingen van de bank en credit/passiva betekent: de schulden van de bank.

Centrale banken

De centrale bank voor de eurozone is de Europese Centrale Bank (ECB). De ECB is verantwoordelijk voor het monetair beleid in de eurozone. Om de geldmarkt te beïnvloeden en inflatie tegen te gaan staat de ECB het instrument van de refirente ter beschikking. In het Verdrag van Maastricht is vastgelegd dat:

  • men er naar streeft de geldgroei (M3 * ) niet boven de 4,5% te uit laten komen.
  • de inflatie beneden de 2% te houden voor de eurozone.

Helaas zijn deze doelstellingen blijkbaar niet haalbaar.

Geldgroei M3 (geld dat uit het niets isgecreëerd)

* M staat voor money supply en de 3 voor het tellen van zowel chartaal geld (munten en biljetten), giraal geld en depositos.

inflatie eurozone

Waar komt geld vandaan?

Wat is de Federal Reserve (VS) aan het doen?

Aug 27

Logo ECBHet hoofddoel van het Eurosysteem is het handhaven van prijsstabiliteit in het eurogebied. Het garanderen van stabiele prijzen de belangrijkste bijdrage die door het monetaire beleid kan worden geleverd tot het bereiken van een gunstig economisch klimaat en een hoge participatiegraad. Zowel inflatie als deflatie kan een maatschappij grote economische en sociale schade berokkenen.

Inflatie kan worden gedefinieerd als een algemene of breed gefundeerde stijging van de prijzen van goederen en diensten over een langere periode die dientengevolge leidt tot een daling van de waarde van geld en derhalve de koopkracht ervan. Deflatie wordt vaak gedefinieerd als het tegenovergestelde van inflatie, namelijk als een situatie waarin het algehele prijspeil over een langere periode daalt. Als er geen inflatie of deflatie is, kunnen we zeggen dat er prijsstabiliteit is wanneer, gemiddeld, de prijzen noch stijgen noch dalen maar gedurende een zekere periode stabiel blijven. Als men bijvoorbeeld voor €100 hetzelfde mandje goederen kan kopen als, zeg, een of twee jaar geleden, dan kan dit een periode van absolute prijsstabiliteit worden genoemd. voor de economie. Inflatie kan worden gedefinieerd als een algemene of breed gefundeerde stijging van de prijzen van goederen en diensten over een langere periode die dientengevolge leidt tot een daling van de waarde van geld en derhalve de koopkracht ervan. Deflatie wordt vaak gedefinieerd als het tegenovergestelde van inflatie, namelijk als een situatie waarin het algehele prijspeil over een langere periode daalt. Als er geen inflatie of deflatie is, kunnen we zeggen dat er prijsstabiliteit is wanneer, gemiddeld, de prijzen noch stijgen noch dalen maar gedurende een zekere periode stabiel blijven. Als men bijvoorbeeld voor €100 hetzelfde mandje goederen kan kopen als, zeg, een of twee jaar geleden, dan kan dit een periode van absolute prijsstabiliteit worden genoemd.

Consumptieprijsindex

De meeste landen hanteren een eenvoudige benadering tot het meten van inflatie en maken gebruik van de zogenoemde “Consumptieprijsindex” (CPI). Voor dit doeleinde wordt het koopgedrag van consumenten geanalyseerd om te bepalen welke goederen en diensten consumenten gewoonlijk kopen en die daarom op enigerlei wijze als representatief kunnen worden beschouwd voor de gemiddelde consument in een economie. Vandaar dat zij niet alleen die zaken die consumenten vrijwel dagelijks aanschaffen omvatten (bijvoorbeeld brood en fruit), maar ook aankopen van duurzame goederen (bijvoorbeeld auto’s, PC’s, wasmachines, etc.) en frequente transacties (bijvoorbeeld huur). Het samenstellen van dit “boodschappenlijstje” van “artikelen” en deze vervolgens wegen naar hun belangrijkheid binnen het budget van de consumenten heeft geleid tot de creatie van wat bekend staat als het “marktmandje”. Elke maand controleert een groot aantal “prijsinspecteurs” de prijzen van deze artikelen in verschillende winkels. Daarna worden de kosten van dit mandje over een bepaalde periode vergeleken en wordt zo een reeks bepaald voor de prijsindex. Het inflatiecijfer op jaarbasis kan dan worden berekend door de verandering in de kosten van het marktmandje van vandaag uit te drukken als een percentage van de kosten van het identieke mandje in het voorafgaande jaar. De ontwikkelingen in het prijspeil zoals die in zo’n mandje tot uitdrukking komen weerspiegelen echter alleen de situatie van een “gemiddelde” of representatieve consument. Wanneer het koopgedrag van een individu aanzienlijk verschilt van het gemiddelde consumptiepatroon en dus van het marktmandje waarop de index is gebaseerd, kan deze persoon een verandering in de kosten van levensonderhoud ervaren die verschilt van die welke de index laat zien. Er zullen daarom altijd mensen blijven die een hogere “inflatie” ervaren op hun “individuele mandje” en enkelen die een lagere “individuele inflatie” bemerken. Met andere woorden, de inflatie zoals die wordt gemeten door de index is slechts een benadering van de gemiddelde situatie in de economie; deze inflatie is niet identiek aan de algehele prijsveranderingen die elke individuele consument meemaakt.

Geldgroei

Onder normale omstandigheden zouden aanzienlijke of langdurige verschillen tussen de geldgroei en de referentiewaarde aangeven dat zich risico‘s voordoen voor de prijsstabiliteit op de middellange termijn. De referentiewaarde wordt afgeleid uit de verhouding tussen de geldgroei (ΔM), de infl atie (ΔP), de reële bbp-groei (ΔYR), en veranderingen in de omloopsnelheid (ΔV).Volgens deze identiteit, die bekend staat als de “kwantiteitsvergelijking”, is de mutatie in de geldhoeveelheid in een economie gelijk aan de mutatie in de nominale transacties (benaderd door de mutatie in het reële bbp plus de mutatie in het prijsniveau) minus de mutatie in de omloopsnelheid (zie ook Kader 4.3). Deze laatste kan gedefinieerd worden als de snelheid waarmee geld tussen verschillende houders circuleert en geeft dus aan hoeveel geld benodigd is om een bepaald niveau van nominale transacties mogelijk te maken.

HICP eurozone

ΔM = ΔYR + ΔP – ΔV De referentiewaarde belichaamt de definitie van prijsstabiliteit als een stijging van de HICP voor het eurogebied van minder dan 2% per jaar. Daarnaast is de referentiewaarde gebaseerd op aannames voor de middellange termijn ten aanzien van de mogelijke productiegroei en de trend van de omloopsnelheid van M3. In 1998 werd aangenomen dat de reële-bbp-groei voor het eurogebied op de middellange termijn 2–2½ % per jaar zou bedragen, een cijfer waarin ramingen van zowel internationale organisaties als de ECB tot uiting kwamen. Via diverse benaderingen werd de aanname omtrent de omloopsnelheid afgeleid, waarbij rekening gehouden werd met eenvoudige trends alsook de informatie die in complexere geldvraagmodellen besloten ligt. Tezamen wezen de uitkomsten van deze berekeningen op een daling van de omloopsnelheid van M3 van ½–1 % per jaar.

geldgroei cijfers

Op basis van deze aannames werd de referentiewaarde van de ECB in december 1998 door de Raad van Bestuur op 4½ % op jaarbasis gesteld, en deze bleef sindsdien ongewijzigd. De Raad van Bestuur controleert de validiteit van de voorwaarden en aannames die aan de referentiewaarde

ten grondslag liggen voortdurend en communiceert veranderingen in deze onderliggende aannames zodra deze noodzakelijk worden.

link: Geldgroei cijfers EU zone

 

Ron Paul voelt Ben Bernanke (FED) aan de tand..

Lijst van termen

Algemene Raad:
een van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank (ECB). De Algemene Raad bestaat uit de President en de Vice-President van de ECB en de Presidenten van alle nationale centrale banken van de EU.

Consumptieprijsindex:
eens per maand samengesteld met behulp van een zogenoemd “boodschappenmandje”. Voor het eurogebied wordt de Geharmoniseerde Consumptieprijsindex (HICP) gebruikt. Deze index wordt samengesteld op basis van een in het gehele eurogebied geharmoniseerde statistische methodologie.

Deflatie:
een aanhoudende daling van het algemene prijspeil, d.w.z. van de consumptieprijsindex, gedurende een lange periode. Directie: een van de besluitvormende organen van de ECB. De Directie omvat de President, de Vice-President en vier leden, benoemd in onderlinge overeenstemming tussen de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten die de euro hebben ingevoerd. Eurogebied: het gebied dat de lidstaten van de Europese Unie omvat die de euro hebben ingevoerd als gemeenschappelijke munt. Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB): samengesteld uit de ECB en de nationale centrale banken van alle lidstaten van het eurogebied, ongeacht of zij de euro hebben ingevoerd of niet. Europese Centrale Bank (ECB): de ECB is opgericht op 1 juni 1998 en is gevestigd in Frankfurt am Main (Duitsland). Zij vormt het hart van het Eurosysteem. Eurosysteem: samengesteld uit de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van die lidstaten die de euro al hebben ingevoerd.

Inflatie:
een stijging van het algemene prijspeil, d.w.z. van de consumptieprijsindex, gedurende een lange periode. Monetaire basis
in het eurogebied bestaat deze uit geld (bankbiljetten en munten) in omloop, de door tegenpartijen van het Eurosysteem aangehouden reserves en het geld dat op de depositofaciliteit van het Eurosysteem is gestort. Deze posten vormen passiva op de balans van het Eurosysteem. Reserves kunnen verder worden uitgesplitst in vereiste en overreserves. In het systeem van reserveverplichtingen van het Eurosysteem zijn tegenpartijen verplicht vereiste reserves aan te houden bij de nationale centrale banken. Naast deze vereiste reserves houden kredietinstellingen doorgaans slechts een gering bedrag aan vrijwillige overreserves aan bij het Eurosysteem.

Monetairebeleidsstrategie:
de algemene benadering van de monetairebeleidsvoering. De monetairebeleidsstrategie van de ECB omvat een kwantitatieve defi nitie van het hoofddoel van prijsstabiliteit en een analytisch kader gebaseerd op twee pijlers – de economische analyse en de monetaire analyse. Bovendien omvat de strategie algemene beginselen voor het voeren van het monetaire beleid, zoals de middellangetermijnoriëntatie. De strategie vormt de basis voor de algehele beoordeling door de Raad van Bestuur van de risico‘s voor de prijsstabiliteit en voor zijn monetairebeleidsbeslissingen. Het biedt tevens een kader voor het toelichten van monetairebeleidsbeslissingen aan het publiek.

Prijsstabiliteit:
het handhaven van prijsstabiliteit is het hoofddoel van het Eurosysteem. De Raad van Bestuur van de ECB heeft prijsstabiliteit gedefi nieerd als een jaarlijkse stijging van de HICP voor het eurogebied van minder dan 2%. De Raad stelt zich tevens tot doel de infl atie op jaarbasis op de middellange termijn onder maar dicht bij 2% te houden.

Raad van Bestuur:
het belangrijkste besluitvormende orgaan van de Europese Centrale Bank (ECB). De Raad van Bestuur omvat alle leden van de Directie en de Presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die op de euro zijn overgegaan.

Rente:
het percentage extra geld dat je krijgt als je je geld uitleent aan iemand anders (of het op een bankrekening laat staan), of het percentage aan extra geld dat je moet betalen als je geld leent. Ruilhandel:
het onderling ruilen van goederen en diensten zonder daarvoor geld te gebruiken als ruilmiddel. Dit kan alleen als er een wederzijdse behoefte aan de verhandelde goederen of diensten bestaat.

Transmissiemechanisme van het monetaire beleid:
het proces waarbij monetairebeleidsbesluiten doorwerken in de economie in het algemeen en het prijsniveau in het bijzonder.

Nout Wellink:”Rente verhogen hebben we de vorige maand al gedaan”

 

Bronnen: ECB, RTL, Ron Paul

  • Pagina 1 van 3
  • 1
  • 2
  • 3
  • >